Her columns

Nederland is emancipatiemoe

Ik ben een optimistische feminist. Er is immers de afgelopen eeuw genoeg vooruitgang geboekt om hoopvol te zijn over de toekomst. Maar man, man, man, wat gaat het langzaam. Waarom is het bijvoorbeeld, bijna honderd jaar na de invoering van het vrouwenkiesrecht, nog steeds groot nieuws als er een vrouwelijke fractievoorzitter bij komt in de Kamer? Waarom roemen we zorgende vaders nog steeds om hun ‘papadag’? En waarom krijg ik nog steeds post gericht aan ‘de heer Van den Hul’?
De negende Emancipatiemonitor die deze week verscheen schetst eenzelfde beeld: de emancipatie in Nederland vordert met babystapjes. Neem bijvoorbeeld de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt. Die is al jaren nagenoeg stabiel; 54 % van de vrouwen is economisch zelfstandig, wat neerkomt op een groei van 1 % ten opzichte van 2013.
Ook op het salarisfront weinig nieuws: nog steeds krijgen vrouwen per uur 17% minder betaald, wat met correcties voor factoren als opleidingsniveau en werkervaring neerkomt op een loonverschil van 7% in het bedrijfsleven en 6% bij de overheid.
Het aantal jonge vaders dat minder gaat werken, neemt niet toe: die werken nog steeds gemiddeld 40 uur per week. Niet geheel verrassend wellicht, want ruim één op de zes Nederlanders ziet moeders met kleine kinderen nog steeds het liefst als huisvrouw. Anno 2016 vindt bijna de helft van de mannen vrouwen geschikter voor de zorg van kleine kinderen, en maar liefst een kwart van de vrouwen is dat men hen eens. Sterker nog: onder moeders is het geloof in hun eigen geschiktheid zelfs iets toegenomen.
Tijd dus voor een breed gedragen feministische golf? Nou nee. Ik krijg juist steeds vaker de vraag of het nou niet eens klaar is, met die emancipatie. We doen het toch best goed in Nederland? Waarom dan blijven zeuren? Vaak gevolgd door flauwe grapjes, over beha’s verbranden en okselhaar. Of een hele diepe zucht en ‘heb je haar weer’, zodra het over man-vrouwverhoudingen gaat. “Emancipatiemoeheid”, zo noemt Wil Portegijs van het Sociaal Cultuur Planbureau het in haar inleiding bij de Emanicipatiemonitor.
Het is een verontrustend fenomeen dat we de laatste tijd helaas vaker tegenkomen in ons land. Waar maak je je druk om, het is hier toch prima? En als er iets mis is, dan ligt het aan ‘geïmporteerde moslimculturen’, zoals collega Ephimenco onlangs nog beweerde toen het ging om straatseksisme. Of aan ‘Sylvana’, zoals veel Nederlanders in koor roepen zodra het over discriminatie gaat. Dat seksisme en racisme bijna net zo Hollands zijn als kaas en klompen, dat gaat er maar bij weinig mensen in.
Gelukkig hebben we een betrokken minister met een lange adem, en organisaties als het Vrouwenrechtencomité van de VN die een vinger aan de pols houden. En gelukkig zijn er steeds meer mannen die hun verantwoordelijkheid nemen. Zoals de ambassadeurs van de campagne ‘Geweld tegen vrouwen? Daar mag je nooit voor kiezen’, die mannen oproept een statement te maken waarin ze niet alleen beloven geen geweld te zullen gebruiken, maar het ook niet te zullen negeren of goedpraten. En juist dat is zo belangrijk om die laatste emancipatieslag te maken: erkennen dat er een probleem is. Want we zijn er bijna, maar nog lang niet helemaal. (eerder verschenen in Trouw 15 december 2016)

Het kan wel, want het is gebeurd

Ze frummelt voortdurend aan haar linkermouw. Strijkt hem glad en trekt hem naar beneden, over haar gebalde vuist. “Ik vertel mijn verhaal, omdat jullie niet weten hoe erg het was. Omdat jullie, die zijn opgegroeid in vrede, je niet kunnen voorstellen dat het kan. Maar het kan wel, want het is gebeurd.” Even is ze stil. Dan stroopt ze haar mouw op. “Kijk, dit was ik toen. Een nummer.”
In Auschwitz zat ze, als klein meisje. Schijnbaar onaangedaan vertelt ze hoe ze werd gescheiden van haar moeder. Hoe ze haar naam en taal vergat. Hoe ze kinderen eten zag afpakken van zwakkere leeftijdsgenootjes, vechtend om te overleven. Hoe bang ze was om meegenomen te worden door ‘de enge dokter’. Hoe ze door de Russen bevrijd werd, bij een Pools gezin terechtkwam, en Katholiek werd opgevoed. Hoe ze jaren later als volwassen vrouw haar moeder terugvond, die het ook had overleefd en nooit was opgehouden haar te zoeken.
Elk jaar gaat ze terug, vertelt ze, naar de jaarlijkse herdenking, waar steeds minder overlevenden hun verhalen vertellen, het verleden levend houden. Opdat de wereld nooit vergeet wat er zich daar heeft afgespeeld.
Dit weekend was ik er voor het eerst, in Auschwitz en Birkenau. Het was precies zoals ik het me had voorgesteld. Een kamer vol afgeschoren haar. Stapels brillen. Kinderjurkjes. Lege blikken Zyklon B. Lange rijen barakken tussen muren van prikkeldraad. Een grijs-grauwe lucht. Een doodlopende spoorlijn. Arbeit Macht Frei.
De enige overgebleven gaskamer wil ik eigenlijk liever niet in. Maar ik doe het toch. Uit een raar soort schaamte wellicht, misschien zelfs uit schuldgevoel. Want wie ben ik om te zeggen dat ik die ellende niet wil zien? En dus schuifel ik stilletjes mee met de rest van de meute, dwars door de donkere ruimte met de grote schoorsteen.
Hoe kon dit ooit gebeuren? Waarom konden de Nazi’s zo lang hun gang gaan? En vooral: hoe voorkomen we dat zoiets weer gebeurt? Het zijn vragen die mij en mijn reisgenoten na ons bezoek lang bezig blijven houden. Want schuiven de grenzen van wat gewoon wordt gevonden net als toen niet steeds een stukje verder op? In Polen bijvoorbeeld, dat net als Hongarije en Slowakije de deur gesloten houdt voor vluchtelingen. Of in de VS, waar Trump de verkiezingen won dankzij de diepgewortelde xenofobie waarop hij een groot deel van zijn campagne baseerde. In Frankrijk, waar Le Pen hetzelfde probeert. Of in ons eigen land, waar Wilders al jaren weg komt met uitspraken die hele groepen Nederlanders reduceren tot hun geloof en afkomst.
Bij thuiskomst lees ik dat de PVV op dit moment de grootste partij is in de Peilingwijzer. Tegenover onderzoeksbureau I&O Research verklaren kiezers dat de rechtszaak tegen Wilders en het debat over Zwarte Piet de belangrijkste redenen zijn om op de PVV te stemmen. “Ben het gewoon zat dat de gekleurde medelanders zo lopen te zeiken. Ik wil mijn land en tradities behouden.” “Ik ben blij dat eindelijk iemand zijn mond durft open te doen.” “Ik heb geen alternatieven meer.”
Ik denk aan de woorden van de dame met het nummer op haar arm. “Jullie weten niet hoe erg het was. Maar het kan wel, want het is gebeurd.”
(eerder verschenen in Trouw 1 december 2016)

Als politiek ineens persoonlijk wordt

Al ruim een week ben ik niet mezelf. Ik slaap slecht, heb minder trek en barst soms zelfs ineens in huilen uit. Allemaal omdat een minderheid van het Amerikaanse volk een griezel tot president koos die een meerderheid van kiesmannen wist binnen te slepen.
‘Maar zó erg is het toch niet’, zei iemand deze week nog tegen me, toen ik weer in zo’n sombere bui verzonk. ‘Het is toch niet jouw president?’
Nee. Dat klopt. Het is niet mijn president. Gelukkig niet. Maar maakt dat het minder erg?
Amerika koos een president die moslims, Mexicanen, ongedocumenteerde migranten en zo’n beetje iedereen die niet denkt en doet als hij schaamteloos schoffeert. Die geweld tegen vrouwen niet schuwt, sterker nog, die erover opschept en er mee weg komt. Die zelfs werd beschuldigd van verkrachting. En toch werd deze man gekozen. Mede – en misschien wel juist – dankzij de stem van witte vrouwen, die Hillary massaal links lieten liggen. Wat niet alleen veel zegt over die vrouwen, maar ook over de Amerikaanse klassenmaatschappij, die blijkbaar diepere breuklijnen vertoont dan veel analisten vanuit hun ivoren torens hadden voorzien.
‘Eerst maar eens rustig afwachten’, hoor ik veel mensen zeggen, deze dagen. ‘Zo’n vaart zal het vast niet lopen.’ Nee? Zijn eerste benoemingen laten toch vrij duidelijk zien wat voor vlees we in de kuip hebben: extreem rechts, extreem xenofoob, extreem antisemitisch, extreem anti-vrouw. Trump’s voormalige campagnedirecteur en kersverse topstrateeg Bannon, die eerder deze week door KKK-coryfee Duke een ‘excellente keuze’ werd genoemd, heeft, net als Trump, een geschiedenis van geweld tegen vrouwen en werd door zijn ex-vrouw meerdere malen beschuldigd van mishandeling.
Zo’n vaart zal het niet lopen? Een bevriende schrijfster die al jaren in de VS woont en normaal gesproken een hoofddoek draagt, heeft die inmiddels afgedaan, nadat ze deze week door een Trump-supporter met een mes was bedreigd. ‘We gaan jullie allemaal deporteren!’ had de man geroepen.
Eerst maar eens rustig afwachten, zegt u?
Volgende week vrijdag is het de Internationale Dag tegen Geweld tegen Vrouwen. Een dag waarop wereldwijd wordt stilgestaan bij het geweld dat één op de drie vrouwen wereldwijd treft.
Ik kan er helaas over meepraten. Daarom aarzelde ik geen seconde toen fotografe Judith Keessen mij vroeg of ik mee wilde werken aan haar project ZIE, dat aandacht vraagt voor dit thema, waarop nog steeds een groot maatschappelijk taboe rust.
En dus hangt mijn foto volgende week op het Domplein, tussen andere overlevenden. Nee, geen slachtoffers, dat zijn we gelukkig allang niet meer. Onder mijn foto staat een citaat. ‘Mijn bloed op de muur. Dat zal ik nooit vergeten.’
Het is die pijnlijke herinnering die de verkiezing van Trump en de benoeming van Bannon voor mij en vele andere vrouwen (én mannen) met dezelfde ervaring zo beladen maakt. Dat geweld achter de voordeur een hardnekkig verschijnsel is wisten we al. Dat het iedereen kan overkomen en er nog lang niet genoeg gebeurt om het te stoppen, dat wisten we ook. Maar dat je er trots op kunt zijn, er grapjes over kunt maken, erover kunt opscheppen en ondanks alles toch president kunt worden is nieuw. En dan is politiek ineens heel persoonlijk. (eerder verschenen in Trouw 17 november 2016)

Dear America,
Over vijf dagen beslist u welke primeur de wereld gaat beleven: de eerste vrouwelijke president in het Witte Huis of een man die vrouwen lachend reduceert tot hun lichaam en ‘migranten’ tot hun geloof, afkomst of huiskleur. Ja, ‘migranten’ plaats ik hier tussen aanhalingstekens. Want mijnheer Trump, met zijn Duits-Schotse familie en Sloveense vrouw, is natuurlijk net zo ‘migrant’ als de ‘bad hombres’ die hij zegt te willen weren. Maar dat terzijde.
Een duivels dilemma, zegt u? Kiezen tussen twee kwaden? Dat snap ik niet helemaal. Want wat is er nou zo moeilijk aan de keuze tussen een ervaren, intelligente, competente vrouw, en een man die deze week nog een Afrikaans-Amerikaanse fan in North Carolina en plein public een misdadiger noemde en hem hardhandig liet verwijderen. Een man die door een nog altijd groeiende groep vrouwen wordt beschuldigd van seksueel geweld en zijn opschepperij daarover afdoet als kleedkamerpraatjes. Een man die moslims de toegang tot uw land wil ontzeggen en een muur wil bouwen tegen de Mexicanen. Moet ik nog doorgaan? De lijst is lang, heel lang.
Ik snap eerlijk gezegd überhaupt niet hoe juist deze man zo ver kon komen. Iemand die meerdere keren faillissement aanvroeg, belastingontwijking goedpraat, en de rechtsgeldigheid van de verkiezingen openlijk in twijfel durft te trekken. Is Amerika werkelijk zo diep gezonken dat dit het beste is wat jullie de wereld te bieden hebben?
Amerika, dat het altijd zo goed weet voor de rest van de wereld. Irak, Afghanistan, Libië; als eerste stonden jullie klaar om in te grijpen, in naam van de vrijheid, mensenrechten en democratie. Met wisselend succes, maar laten we het daar nu niet over hebben. We hebben het nu over macht. En die strekt ver, heel ver. Zo ver zelfs, dat het in sommige landen makkelijker is om een Coca Cola te kopen dan schoon drinkwater.
Waar bemoeit dat mens zich mee, denkt u misschien? Inderdaad, waar bemoei ik me mee. We hebben het per slot van rekening slechts over de volgende president van de Verenigde Staten, de zelfbenoemde leider van de vrije wereld. Met de beschikking over ruim twee miljoen militairen en reservisten en duizenden kernwapens, waarvan een aantal naar verluidt zelfs op Nederlandse bodem. Maar ja, wie ben ik, en al die andere 7 miljard wereldbewoners binnen de straal van jullie vernietigingswapens, maar zonder kiesrecht in jullie land?
Alles goed en wel, maar Hillary Clinton en haar e-mails dan, zegt u wellicht? Haar relatie met Wall Street, de dubieuze donaties aan de Clinton Foundation, haar buitenlands beleid? Niet handig, niet fraai, niet altijd om over naar huis te schrijven. Maar om nou, zoals ik een aantal van mijn Amerikaanse Facebookvrienden zie doen, op te roepen om op Trump te stemmen omdat ze eigenlijk Bernie Sanders in het Witte Huis wilden zien? Really? Menen jullie dat nou echt serieus?
‘The land of the free and the home of the brave’, zo klinkt het in jullie prachtige volkslied. Ik hoop werkelijk dat dat waar blijkt, volgende week. Dat u werkelijk de moed heeft om geschiedenis te schrijven. Dear America, please make America great again. Maar dan ook echt.
Kind regards on behalf of the rest of the world.
(eerder verschenen in Trouw 4 november 2016)

“Seksisme? Niet in Nederland”

“Zo erg als in Amerika is het hier gelukkig niet”, verkondigt een stellige jonge dame tijdens een etentje.
Het gespreksonderwerp? Donald Trump’s seksisme. De jonge dame vindt veel bijval. Bij ons zou zoiets nooit kunnen, vinden meer mensen aan tafel. “Zie je het al voor je, iemand die zonder blikken of blozen zulke dingen over vrouwen zegt op tv? Niet in Nederland.” Ik verslik me bijna.
Buitenhof, afgelopen zondag. Presentator Pieter Jan Hagens interviewt de Nigeriaanse schrijfster Chimamanda Adichie. Ook zij hebben het over de Amerikaanse verkiezingen. Adichie legt uit dat Trump een voorbeeld is van mannelijk privilege, en dat in de omgekeerde wereld een vrouwelijke versie nooit zo ver zou kunnen komen. “Wat zou zij dan zeggen?” vraagt een dan al gniffelende Hagens. “Dat ze mannen bij hun penis grijpt”, antwoordt Adichie. “Dat zou toch geweldig zijn” glundert Hagens die ineens transformeert tot een puisterige puber van veertien. “Ik denk het niet,” verzucht Adichie hoofdschuddend.
Nee dames en heren, voor schaamteloos seksisme hoef je niet helemaal naar Amerika. Je hoeft er niet eens voor naar Voetbal Inside, al 15 jaar een betrouwbare bron van vrouwonvriendelijke oudemannenpraatjes, waar een schaarsgeklede rondborstige blondine deze week nog de verjaardagstaart mocht komen aansnijden. Nee hoor, voor uw dagelijkse portie seksisme kunt u gewoon terecht bij de publieke omroep. Want dat was het natuurlijk, wat Hagens zondag deed. Al betwijfel ik of hij dat zelf zo zou noemen. Een grapje, moet kunnen toch?
Ik kom ze bijna dagelijks tegen, goedbedoelende sluipseksisten. Als gastdocent op de universiteit (“Wat studeer je? Oh, je bent docent? Wat leuk.”), als dagvoorzitter (“Sexy hoor, zo’n dominante vrouw met een microfoon”) of gewoon in het wild, op straat. Maar vooral vergaderingen bieden vaak sterke staaltjes sluipseksistisch vermaak. De zogenaamde mansplainers, die de onbedwingbare behoefte om vrouwen uit te leggen hoe het echt in elkaar zit simpelweg niet kunnen weerstaan (zelfs als de dame in kwestie het artikel, boek of essay zelf geschreven heeft). De groepsgrappenmakers, die alleen hun mond opendoen als ze zich omringd weten door een ruime meerderheid van hun seksegenoten, en dan ineens dingen durven roepen als “Kijk nou jongens, rokjesdag valt vroeg dit jaar!”. De manterruptors, die zichzelf liever horen praten dan iemand anders, zeker als die iemand anders een dame is. En de standpuntsnaaiers, die er doodleuk vandoor gaan met een punt dat net door een dame is ingebracht.
Juist die laatste categorie is een lastige. Want vaak gaat het zo geruisloos dat het de overige aanwezigen nauwelijks opvalt, waardoor het moeilijk is om het aan te kaarten, laat staan om je eigen punt ‘terug te veroveren’.
De vrouwen in Obama’s team hadden er ook soms last van. Zij vonden een oplossing: amplification, elkaar versterken. In een lezenswaardig artikel in de Washington Post vertelde één van hen onlangs over hun even simpele als effectieve strategie. Als een vrouw een punt maakt, herhaalt een andere vrouw aan tafel haar punt, waarbij ze de ander bij naam noemt. Zo wordt het lastiger om een idee te ‘kapen’ en de bedenker ervan over het hoofd te zien.
Het goede nieuws: iedereen kan deze techniek toepassen. Ook mannen. Ik zou bijna zeggen: laten we het eens proberen. Maar ja, er is geen seksisme in Nederland. (eerder verschenen in Trouw 20 oktober 2016)

‘Als u hier even wil tekenen?’

Weet u wat je in Nederland moet betalen voor een willekeurige inburgeringscursus van 15 maanden? Vierduizendzevenhonderdvijfenzeventig euro. Daarvoor krijg je zes uur per week les, plus een lesboek. Poe, verzuchten mijn inburgeringsplichtige partner en ik. ‘De meeste inburgeraars kunnen geld lenen’, zegt de Dienst Uitvoering Onderwijs op de site inburgeren.nl. Maar niet als je partner teveel verdient, zo leert ons de rekenhulp.
Als je asielgerechtigd bent, kun je het cursusgeld wél lenen, ongeacht je inkomen, en wordt je lening kwijtgescholden als je slaagt voor je inburgeringsexamen. Maar als je dat niet bent, zoals mijn partner, dan moet je het volledige bedrag zelf ophoesten. En dus moeten wij diep in de buidel tasten, terwijl de rest van de inburgeringsklas, die afgezien van mijn partner volledig bestaat uit vluchtelingen, de cursus de facto gratis krijgt.
Bijna gratis, dat is het ook voor niet-inburgeringsplichtigen, zoals Europese migranten. Die mogen namelijk naar een ROC, waar ervaren NT2-docenten al jarenlang les geven aan nieuwkomers. Ter illustratie: een cursus Nederlands voor Beginners kost bij het Haagse ROC Mondriaan 30 euro per kalenderjaar. Ook daar gaat het om 6 uur per week les. Maar die cursus is verboden terrein voor inburgeringsplichtigen, ook al is volgens sommige ingewijden het NT2-onderwijs binnen ROC’s van een kwalitatief veel hoger niveau dan dat van een deel van de commerciële inburgeringsboeren die zich de laatste jaren enthousiast op deze groeimarkt hebben gestort.
Juist over dat niveau van inburgeringscursussen is veel te doen de laatste tijd. Veel deelnemers klagen over slechte docenten en gebrekkig materiaal, terwijl gemeenten klagen dat ‘Den Haag’ hen buitenspel heeft gezet. Inburgeraars zijn sinds 2013 immers zelf verantwoordelijk voor hun eigen inburgeringstraject. En daar wringt vaak de schoen. Want hoe vind je als nieuwkomer een goede cursus?
Volgens inburgeren.nl moet je daarvoor doorklikken naar een andere site: blikopwerk.nl. Naar eigen zeggen ‘dé website voor het vinden van een passende en kwalitatieve dienstverlening. Een eerlijke kans op werk voor iedereen.’ Na enig zoeken tussen een wirwar van voor de meeste inburgeraars onbegrijpelijke termen als ‘Work Ability Index’, ‘Eigen Werk Wijzer’ en ‘Loonwaardebepaling’ (allemaal in het Nederlands; hoezo eerlijke kans voor iedereen?), vindt de geduldige inburgeraar een alfabetische lijst aanbieders met daarbij een rapportcijfer dat de klanttevredenheid weergeeft. Het bijbehorende rapport (u raadt het al: in het Nederlands) is desgewenst te downloaden, maar biedt een niet-geoefende lezer weinig houvast bij het maken van een keuze.
Dan maar Googelen op ‘inburgeringscursus’. Tientallen sites komen tevoorschijn. Sommige aanbieders bieden diplomagarantie, anderen gratis laptops, kleine klassen of extra individuele aandacht. Kosten: duizenden euro’s per jaar.
Na een aantal sites te hebben vergeleken, hakken mijn partner en ik de knoop door. We maken een afspraak voor een kennismakingsgesprek en intake-toets. Hij heeft een academische opleiding, en heeft bovendien al Nederlandse lessen gevolgd, dus scoort bovengemiddeld. Wordt daar wel rekening mee gehouden? ‘Uiteraard mevrouw, we doen er alles aan om uw partner te plaatsen in een groep van zijn niveau. Als u hier even wilt tekenen?’
Gisteren was de eerste les. ‘Hoe ging het?’ vraag ik ’s avonds aan tafel. ‘Mwah’, mompelt hij. ‘Beetje makkelijk.’ Ze waren begonnen met het a-b-c.
(eerder verschenen in Trouw 6 oktober 2016)

Vaste grond onder de voeten

Angst voor vluchtelingen, gaat dat niet te ver? Niet als we de Troonrede mogen geloven. Sterker nog, het is het zelfs ‘logisch dat er ongerustheid bestaat over de komst van grote groepen vluchtelingen. We vragen ons af of de verschillen in cultuur en normen en waarden niet te groot zijn en voorzieningen niet te zeer onder druk komen te staan,’ mocht ons staatshoofd dinsdag zomaar zeggen in de Ridderzaal.
Met andere woorden: angst voor vluchtelingen is best begrijpelijk.
Onze premier ging zelfs nog een stapje verder. Die durfde hardop te zeggen dat we absoluut geen concessies moeten doen aan onze kernwaarden als mensen met een andere culturele achtergrond hiernaartoe komen.
Met andere woorden: je hebt je als nieuwkomer maar aan te passen en anders kun je oppleuren.
Ook staatssecretaris Dijkhoff deed een duit in het zakje: die liet uitgerekend in het Reformatorisch Dagblad optekenen dat vrouwen in Nederland over 30 jaar nog een kort rokje moeten kunnen dragen. (Ik vraag me af hoeveel van de lezers van het Reformatorisch Dagblad het op dat punt met hem eens zijn, maar dat terzijde.)
Met andere woorden: wij bepalen zelf wel wat ‘onze vrouwen’ dragen, en niemand anders.
Het mag duidelijk zijn: het moet allemaal maar mogen, nu we officieel weer ‘vaste grond onder de voeten hebben’. Het duurde even en het kostte wat, maar daar zijn we dan, als een polderphoenix herrezen uit de as. Of, zoals het FD Rutte citeerde: ‘Ik vind het heel bijzonder dat zeventien miljoen mensen zo’n moeilijke tocht door de woestijn hebben gemaakt’. Nee, dat ging niet over vluchtelingen uit Eritrea, Syrië of Irak, maar over ons eigen volgevreten volkje, waar we, getuige de troonrede en het daarop volgende interview met onze Minister-President, vooral weer heel, heel erg trots op mogen zijn.
Maar voor u nu denkt dat we weer ouderwets tolerant gaan zitten doen met zijn allen: er zijn grenzen. Als daar na bovenstaande citaten nog enige twijfel over kon bestaan: de dagen van pappen, nathouden en kopjes thee zijn voorlopig voorbij. Niet iedereen mag alles.
Zo mocht een tram van Vluchtelingenwerk met daarop de tekst ‘’Nederland is vol… met gastvrije mensen die vluchtelingen een warm hart toedragen’ deze week niet in Den Haag rijden, want ‘te controversieel’; er werd gevreesd voor de veiligheid van de trams en het personeel.
En mogen gediscrimineerde jongeren van onze premier niet gaan zitten mokken of janken maar moeten ze juist ‘doorbeuken’, zo luidt zijn advies.
Dat advies moet je als jongere dan ook weer niet té letterlijk nemen, want treitervlogs maken, dat mag dus niet, zo leerden we de afgelopen weken. Tenminste, als je Boef heet of een capuchon draagt en uit Zaandam komt. Als dat niet het geval is, en je wil al vloggend op een rijdende trein springen of zonder kaartje naar Feyenoord-Manchester United, dan mag dat officieel natuurlijk ook niet, maar wordt je niet gearresteerd. Dat heet namelijk ‘kwajongensgedrag’ en dat wordt, als je tenminste geen Boef heet of een capuchon draagt en uit Zaandam komt, gedoogd.
Ja, zo zijn we dan ook wel weer. Dubbele moraal? Hypocriet? Nee hoor. Dat heet ‘vasthouden aan onze verworvenheden’. En dat mag eindelijk weer, met die vaste grond onder onze voeten. (eerder verschenen in Trouw 22 september 2016)

Wij kiezen voor kwaliteit

Er is nogal wat de doen om ‘de etnische stem’, zoals Lex Oomkes het gisteren in zijn column in Trouw verwoordde. Analisten weten niet goed wat ze ermee aan moeten en doen nog altijd een beetje lacherig zodra het over Denk gaat. Partijen willen die ‘etnische stem’ maar al te graag binnen halen, maar alleen als zij niet vals gaat zingen. Best lastig soms, zo merkte GroenLinks recentelijk aan den lijve. En ook de peilers, doorgaans toch onze rots in de electorale branding, weten kennelijk niet zo goed wat ze ermee aan moeten, met al die politieke culturele diversiteit.
Een fragment uit een bericht op nos.nl van gisteren: “Voor het eerst is in de Peilingwijzer ook Denk opgenomen. De partij van de huidige Kamerleden Kuzu en Özturk haalt net 1 zetel. Volgens Louwerse is het in dit geval extra moeilijk om de werkelijke steun te meten, omdat Denk zich in de eerste plaats richt op migrantenkiezers. Die groep, zo leert de ervaring, is moeilijk bereikbaar voor peilingbureaus. Daar komt bij dat het bij migranten voor peilers niet altijd duidelijk is of zij Nederlander zijn en stemrecht hebben bij de parlementsverkiezingen.”
Migrantenkiezers. Wie zijn dat eigenlijk? Expats, vluchtelingen, mensen met (groot)ouders die elders geboren werden? Ik zou het niet weten. De peilers blijkbaar ook niet. Want ‘de ervaring leert’ dat deze groep moeilijk te peilen is. En mogen ‘ze’ überhaupt wel stemmen? De Hond en consorten hebben het er maar zwaar mee.
Het CDA ligt er in elk geval niet wakker van, van die ‘etnische stem’, getuige hun hagelwitte kandidatenlijst die ze eerder deze week presenteerden. Van de vijftig kandidaten zijn er slechts twee met een niet-westerse achtergrond. De SP doet het wat dat betreft net iets beter, met vier van de eerste vijfentwintig kandidaten. De andere partijen houden hun kaarten nog even op de borst. Toch zullen ook daar geen grote verrassingen volgen, vrees ik. Want het is al jaren een grotendeels ‘autochtoon’ feestje, die vaderlandse politiek.
Niet zo heel gek dus, dat een partij als Denk zich juist richt op kiezers die zich niet herkennen in die overwegend witte status quo. We hoeven de krant maar open te slaan, of we worden overspoeld met berichten over etnisch profileren, een e-mail-schandaal over een kennelijk zeer opvallende zwarte schoonmaker die gelukkig ‘kerkelijk zeer meelevend’ is en meer somber stemmend nieuws over het inclusief-empathisch vermogen in ons land.
In Canada, waar ze sinds vorig jaar een premier hebben die zich feminist noemt, bestaat het kabinet behalve uit een gelijk aantal mannen en vrouwen ook uit mensen met verschillende afkomst en achtergrond. Zo hebben vier leden van het kabinet een Sikh-achtergrond, is de minister van justitie een van oorsprong inheemse Canadese en is de minister van Democratische Instellingen een voormalige vluchteling uit Afghanistan. Waarom dat zo belangrijk was, werd Trudeau gevraagd toen hij zijn ploeg presenteerde. ‘Omdat het 2015 is.’
Weet u nog wat onze premier zei, toen hij zijn bijzonder homogene eerste kabinet presenteerde? ‘We hebben gekozen voor kwaliteit.’ En kwaliteit, dat weten we natuurlijk allemaal, is hier een wat oudere, witte, hoogopgeleide heteroseksuele man uit de Randstad. (eerder verschenen in Trouw 8 september 2016)

De troost der schoonheid

Of ik nou bij de bakker ben, bij een opdrachtgever, of op bezoek bij mijn oude buurman, de laatste weken lijkt het gesprek overal over hetzelfde te gaan: ‘het wordt er niet leuker op, hier op aarde’.
Een groeiend aantal mensen laat om die reden nieuwsmedia links liggen, ook in mijn directe omgeving. ‘Ik kon er gewoon niet meer tegen, elke dag weer al die akelige berichten’, aldus een vriend die zich inmiddels stukken beter zegt te voelen na een aantal weken streng mediadieet.
Anderen weten zeker dat het einde der tijden nabij is en bereiden zich alvast voor door noodrantsoen in te slaan, inclusief kaarsen, crackers en batterijen voor de radio. Een vriendin overweegt zelfs schietlessen te nemen, voor als de Derde Wereldoorlog ook Nederland bereikt.
Ik deed daar eerst een beetje lacherig over. Maakte grapjes over gezellig samen schuilkelders graven, of toch maar met z’n allen naar Mars. Maar inmiddels moet ik toegeven dat de schrik ook mij steeds vaker om het hart slaat. Het wordt er écht niet leuker op.
Het ene vreselijke bericht is nog nauwelijks doorgedrongen of het volgende gruwelijke nieuws komt alweer binnen. Achter elkaar door, steeds sneller lijkt het wel. Coup, schietpartij, bomaanslag, gijzeling, het houdt niet op. En dan heb ik het nog niet eens over de opmars van Donald Trump of de opwarming van de aarde. Je moet er niet aan denken. En toch gebeurt het. Alsof er een akelig virus door de wereld waart, waartegen geen medicijn opgewassen is. Hoe houdt een mens het hoofd koel, de geest open en de moed erin, te midden van zoveel ellende?
Ik moest deze week, na het nieuws over de aanslag op een priester in Normandië, ineens weer denken aan een gepensioneerde missionaris die ik jaren geleden leerde kennen in Tunis. We ontmoetten elkaar op het terras van het Majestic hotel, dat inmiddels in zijn oude glorie is hersteld maar in die dagen een stuk minder majestueus was dan de naam deed vermoeden. De bovenste verdieping was half ingestort, in wat ooit chique suites waren huisden vogels, maar op het terras tussen de palmen serveerden stokoude obers nog koud bier en doppinda’s aan een bont gezelschap dat daar al minstens een halve eeuw leek te zitten. De missionaris, een wat stille, excentrieke Brit met een donkere bril, licht linnen pak en een strooien hoed, was er vaste gast. Er werd gefluisterd dat hij ooit, toen hij nog missiewerk deed in Algerije, getuige was geweest van een bloedige aanslag die alleen hij overleefd had. Na een paar Celtia’s placht hij de meest prachtige poëzie te declameren, van Blake, Baudelaire en Goethe. ‘Ik moet wel, ik heb geen keuze’, zei hij dan met een diepe zucht die nog diepere pijn verried. ‘Alleen mooie dingen maken het leven draaglijk, slechts schoonheid biedt troost.’
‘Catharsis’ noemde Aristoteles dat in zijn Poëtica, bijna twee-en-een-half millennium geleden, ofwel: kunst als loutering voor ons menselijk lijden. Nogal ‘soft’, in deze dagen van verwoestend geweld? Soit. Laten wij ons laven aan de letteren, laat de kunst ons troosten. Want zoals diezelfde Aristoteles al wist: je hebt een beetje geluk nodig om gelukkig te worden. Nu misschien wel meer dan ooit. (eerder verschenen in Trouw 28 juli 2016)

Keti Koti: eerst maar luisteren

‘Het doet geen pijn hoor, zo’n spiraaltje’, had mijn toenmalige huisarts lachend gezegd, terwijl hij de ijskoude eendebek inbracht. Om daar even later, toen hij mij hoorde kermen van de pijn, aan toe te voegen: ‘kom, kom, een beetje flink zijn, meisje. Zo erg is het nou ook weer niet.’

Een man van middelbare leeftijd, die mij, meisje, even uitlegt hoe het precies zit, met zo’n baarmoeder. Ongetwijfeld met de beste bedoelingen (‘zo deed hij het al jaren en er had nog nooit iemand geklaagd’), maar daar ging het niet om. Ik had pijn, hij bagetaliseerde die.

Woest was ik. En ik werd nog bozer, toen hij maar niet wilde snappen waar ik mij nou zo druk om maakte. Het spiraaltje zat er in toch? Nou dan. Dat ik recht had op mijn pijn, en hij niet het recht had daar iets van te vinden, dat was voor hem duidelijk een brug te ver. ‘Het gaat hier niet om jou, het gaat hier om mij!’ had ik hem willen toeschreeuwen toen. Maar ik hield mijn mond en nam een nieuwe huisarts.

Ik moest weer aan dat voorval denken toen ik deze week in een felle discussie belandde naar aanleiding van een artikel van Quinsy Gario in NRC, waarin hij beschreef hoe sommige witte mensen zich menen te moeten mengen in het debat over racisme, en daarbij meer bezig te lijken met hun eigen plaats in dat debat dan met de inhoud en oorsprong ervan.

Of, zoals hij het zelf verwoordde: ‘Het articuleren van de primaire behoeften en het uitstippelen van de tactieken en de strategie om de strijd aan te gaan met racisme en uitsluiting, moet niet uit mensen komen die er niet direct door worden geraakt.’

Dat was voor veel – voornamelijk witte – mannen in mijn omgeving erg moeilijk te verkroppen. Ze voelden zich, zo bleek al gauw, aangevallen, buitengesloten, weggezet, gediskwalificeerd. ‘Zo doe je precies wat je wilt bestrijden: mensen indelen in hokjes’.

Dat ze met hun gekrenkte reacties precies bewezen wat Gario in zijn stuk beschreef, namelijk het hardnekkige onvermogen om over het eigen privilige heen te kijken en de autonomie van ‘de ander’ te erkennen, is op zijn zachtst gezegd ironisch. Want eigenlijk zeggen ze daarmee, ongetwijfeld onbewust en met even goede bedoelingen, precies wat mijn huisarts zei: een beetje flink zijn. Zo erg is het nou ook weer niet.

Deze discussie roept een fundamentele vervolgvraag op: moet je iets zelf hebben meegemaakt om er iets van te kunnen vinden? Ik denk het niet. Maar dat ontbreken van eerstegraads ervaringsdeskundigheid brengt wel een bijzondere verantwoordelijkheid met zich mee: die om te luisteren. Bescheidenheid, zo u wilt. Een bescheidenheid, die in het Nederlandse debat over, ik noem maar wat, Zwarte Piet, alledaags seksisme of institutioneel racisme, maar al te vaak ontbreekt.

Morgen is het precies 153 jaar geleden dat Nederland, als één van de laatste landen in Europa, officieel de slavernij afschafte in Suriname en de Nederlandse Antillen. Keti Koti, verbroken ketenen, dat vanavond en morgen weer op verschillende plekken wordt herdacht en gevierd, lijkt mij een uitgelezen gelegenheid om te beginnen met luisteren. (eerder verschenen in Trouw 30 juni 2016)

Mixen is het nieuwe normaal

Bakkerij Bakker uit Lage Zwaluwe, schildersbedrijf De Wit uit Doetinchem, melkveehouder De Boer uit Sonnega.. nomen est omen natuurlijk. Evenzo zal het niemand verbazen dat mijn moeder die Harkema heet na haar pensioen hovenier werd.
Dus wat doe je als je Loving heet? Dan heb je lief. En dat deden Mildred en Richard Loving. Met heel hun hart. Mildred was zwart, Richard was wit. Maar dat deed er niet toe, voor de Lovings. Zij hadden slechts lief.

Voor de staat Virginia, waar de Lovings anno 1958 woonden, deed het er wel toe. Want in Virginia waren, net als in alle andere Zuidelijke staten in die tijd, gemengde huwelijken bij wet verboden. De Lovings werden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en moesten de staat verlaten. Maar Mildred en Richard legden zich er niet bij neer en besloten de uitspraak aan te vechten. Met succes: op 12 juni 1967, bijna tien jaar na hun huwelijk, werd het verbod op interraciale huwelijken door het Amerikaanse Hooggerechtshof ongrondwettig verklaard. Inmiddels is 12 juni Loving Day, een dag om stil te staan bij de gemengde liefde. Ook in Nederland.

‘Is dat anno nu nog wel nodig?’, vroegen verschillende mensen mij naar aanleiding van een Loving Day-debat dit weekend in De Balie. ‘Dat is toch allang geen issue meer?’
Ik zou willen dat dat zo was. Maar als ervaringsdeskundige moet ik helaas constateren dat ‘soort zoekt soort’ helaas nog steeds de norm blijkt. Ook in Nederland. Ook in onze wijk in een grote stad waar meer dan de helft van de bevolking door het CBS ‘allochtoon’ wordt genoemd. Ondanks dat diversiteit hier dus de norm is, worden mijn partner en ik bijna dagelijks geconfronteerd met vooroordelen.

Dat is soms grappig, maar vaak ronduit vervelend. Als ik door mag lopen en hij wordt aangehouden bij de paspoortcontrole. Als ik welkom word geheten in een winkel en hij de beveiliging achter zich aan krijgt. Als mensen hun verbazing over ons samenzijn nauwelijks proberen te verhullen. ‘Oh, horen jullie bij elkaar?’ Ja, wij horen bij elkaar. Is dat zo verrassend? Blijkbaar wel. Want voor veel mensen is het feit dat ik mijn leven deel met een Egyptische moslimman reden mij meewarig aan te kijken, om vervolgens te vragen of dat niet moeilijk is, als vrouw (nee). Hoe ik dat dan doe, tijdens de Ramadan (gewoon, wat later eten). Of ik mij ook moest bekeren (nee). En of hij het niet erg vindt, zo’n feministische vriendin (wat denk je zelf?).

Ja, soms is het lastig. Soms snappen we elkaar niet. Soms kan ik mij, als gepriviligeerde blonde vrouw niet voorstellen dat mijn land hem zoveel pijn doet. En soms hebben we gewoon geen zin om voor de duizendste keer bij de kassa uit te leggen dat we niet het beurtbalkje zijn vergeten, maar wij en dus ook onze boodschappen gewoon bij elkaar horen.

Gelukkig is er hoop voor gemengde stellen zoals wij. Het worden er namelijk langzaam maar zeker steeds meer. Waaruit ook weer gemengde kinderen geboren gaan worden. Die op hun beurt ook weer gaan mixen.

Soort zoekt soort? Sooo last season. Dus maak uw borst maar nat en wen er maar vast aan. Want mixen is het nieuwe normaal. (eerder verschenen in Trouw 16 juni 2016)

Hier is de scheids geen hondenlul

Daar zit ik dan, als feministische Ajacied. Middenin het thuisvak in het ADO stadion, omringd door de harde kern. Hoe hard die is, blijkt nog voor de wedstrijd goed en wel begonnen is. ‘Kankerhoeren!!! Alle Joden aan het gas!’ klinkt het om ons heen.

‘Ik weet niet of ik hier wel wil zijn’, fluistert mijn vriendin, die in het hele stadion de enige lijkt met een hoofddoek. ‘Refugees not welcome!’ lezen we meteen na binnenkomst op een sticker die pontificaal naast de bar was geplakt, en er zo te zien al een tijdje hing.
Waar is de KNVB, vraag ik mij af. En waarom moest ik ook alweer zo nodig naar het ADO stadion? Oh ja, voor de Goede Zaak: om het vrouwenvoetbal te steunen. Niet dat dat erg opschiet, met kaartjes van 5 euro per stuk.

Ik was geïnspireerd door de strijdlust van de Amerikaanse voetbaldames, die onlangs hun bond aanklaagden om het beloningsverschil tussen hen en het herenelftal aan te vechten.
Een historische rechtzaak, volgens velen. Want ze hebben een punt. De regerend wereldkampienen winnen meer en trekken meer kijkers dan hun mannelijke collega’s, maar verdienen slechts een fractie van wat de heren verdienen.

Ook in Nederland hobbelt het damesvoetbal nog steeds achter de heren aan. In 2011 doekte drievoudig landskampioen AZ doodleuk hun hele vrouwenelftal op ‘wegens geldgebrek’, terwijl naar verluidt hun hele damesteam evenveel kostte als één speler van het herenelftal. ‘Vouwenvoetbal levert gewoon te weinig op’, zeggen de sceptici. ‘Het niveau ligt een stuk lager dan bij de heren.’ Ja, nogal logisch als er niet in wordt geïnvesteerd.

Ik besluit om de daad bij het woord te voegen en het vrouwenelftal van mijn club Ajax in de bekerfinale toe te juichen. Maar doordat mijn Haagse vrienden de kaartjes hebben besteld, kon het gebeuren dat we midden in het thuisvak zijn beland. ‘Misschien beter als je je Ajax-liefde even voor je houdt’, zeiden ze nog. ‘Ach, zo’n vaart zal dat toch niet lopen, bij het damesvoetbal?’ antwoordde ik naïef.

Dat de bijna geheel uit mannen bestaande harde kern tot mijn verbazing mee bleek gekomen om ‘hun’ vrouwen te steunen, zag ik nog heel even als een stap in de richting van de emancipatie van het vrouwenvoetbal. Maar de seksistische (en anti-semitische) bagger die deze heren vervolgens uitkramen doet mijn hoop gauw vervliegen. En niemand die er iets aan doet.

De scheidsrechter is hier overigens geen hondenlul, leer ik tijdens het Haags Kwartiertje. ‘Zij.. is… een…kankerhoerrr, zij is een kankerhoer, zij is een kankerhoer!’ wordt de dame in kwestie inmiddels luidkeels toegezongen. Als de eerste kaart wordt getrokken, roepen twee heren achter mij dat ze wel weten wat ze met haar zouden doen. ‘Vastbinden, in een busje en hup naar de rosse buurt ermee. Benen wijd en lekker laten werken voor ons, die kankersnol.’

Ik zie een klein meisje vragend naar haar vader kijken. Even denk ik dat ze hem gaat vragen wat kankersnol betekent. Maar ze houdt –net als ik – wijselijk haar mond.

Na het eindsignaal weten we niet hoe gauw we weg moeten komen. ‘Hé, zitten blijven!’ roepen de mannen die de scheids wilden ontvoeren naar de rosse buurt. ‘Hoe vaak winnen we nou iets hier?’ (eerder verschenen in Trouw 2 juni 2016)

Het recht om je hoofd te bedekken

Als Oost-Europadeskundige en Arabist heb ik veel gereisd in gebieden waarvoor het Ministerie van Buitenlandse Zaken waarschuwt met een code geel of oranje: ‘let op, veiligheidsrisico’s’ of ‘alleen noodzakelijke reizen’. Vaak werd mij voor vertrek op het hart gedrukt vooral voorzichtig te doen, als blonde vrouw, daar in dat verre oord. Maar zelden werd ik zo vaak gewaarschuwd als deze keer, toen ik samen met een vriendin had besloten op vakantie naar Iran te gaan.

Toegegeven, Iran is verre van een vrouwenparadijs. Vorig jaar stond het op plaats 141 (van 145) in de Global Gender Gap index van de World Economic Forum. Vrouwen mogen er, in tegenstelling tot overbuurman Saoedie-Arabië (plaats 134), weliswaar auto rijden, stemmen en zich verkiesbaar stellen, maar zijn desondanks zwaar ondervertegenwoordigd, zowel in de politiek als achter het stuur.

Maar dat is niet waar de meeste bezorgde reacties vooraf over gingen. Ook niet over mensenrechtenschendigen, censuur of kindhuwelijken. Nee, de meeste zorg ging uit naar de hoofddoek, die in Iran voor alle vrouwen verplicht is. ‘Dus je gaat je vrijwillig twee weken inpakken? Jij bent gek!’

Ik wimpelde ze geïrriteerd weg, die opmerkingen. Ik had per slot van rekening wel vaker een hoofddoek gedragen, en daar nooit een probleem mee gehad. Afgezien van een paar praktische bezwaren – bij temperaturen van boven de veertig graden zit een een luchtig zomerjurkje toch lekkerder – had ik geen morele moeite met de dresscode. ‘s Lands wijs, ‘s lands eer. Een kwestie van aanpassen. Dacht ik.

Meteen na de landing moest ‘ie om, die hoofddoek. Gegiechel bij de vrouwelijke toeristen in het vliegtuig, geamuseerde blikken van de Iraanse mede-passagiers. We zagen er natuurlijk niet uit, met z’n allen. Wijde lange tunieken over wijde lange broeken, onze hijab onhandig om hoofd en borst gedrapeerd.

Was het de eerste dag nog grappig, de tweede dag, toen bleek hoe heet het was, mijn hoofddoek al een paar keer van mijn hoofd was gewaaid én bijna in een vieze Franse hurk-wc was gegleden, had ik het al helemaal gehad. ‘En bedankt!’ fluisterde ik tegen een foto van de alomtegenwoordige ayatollah.

Ik moest ineens weer denken aan mijn middelbare schooltijd, toen ik mij een keer bij de conrector moest melden omdat ik een hoed droeg. Mijn aardrijkskundeleraar vond dat indruisen tegen het reglement, en stuurde me de les uit. Woest was ik, want mijn kledingkeuze was toch zeker ook vrijheid van meningsuiting?!

Net als toen zorgde het idee dat iemand van hogerhand bepaalt hoe ik eruit moet zien voor een groeiende boosheid. Helemaal toen ik hoorde dat deze week een groep Iraanse modellen, visagisten en fotografen was gearresteerd voor het delen van hoofddoekloze modefoto’s op sociale media.

Dus weg met die doek en verbieden dat ding? Zeker niet. Mijn hoofddoekfrustratie sterkte me juist in mijn overtuiging: ik zal het recht om je hoofd en lichaam te bedekken te allen tijde vurig verdedigen. En met evenveel vuur verdedig ik het recht om je haren en je luchtige zomerjurk te laten wapperen in de wind. Zolang je maar kunt kiezen.

Terwijl ik weer terug op Schiphol tussen vrouwen in bermuda en vrouwen in abaya in de rij sta voor de paspoortcontrole denk ik maar één ding: wat zijn we hier gezegend. (eerder verschenen in Trouw)

De Boze Witte Mannenbrigade

Het is inmiddels alweer ruim een week geleden dat beroepsbozerik Johan Derksen iets riep over Marokkanen en voetbal, en ik daar iets kritisch over tweette. Maar nog steeds komen ze binnen, de berichten van zogenaamde voetbalfans, die vinden dat ik ‘mijn kop moet houden’ (en dat is nog het meest vriendelijke verzoek).

Tja, dat krijg je ervan, als je de Boze Witte Mannenbrigade aanspreekt op hun groezelige gedachtengoed. Want hen betichten van racisme of seksisme (of, zoals in het geval van Derksen, allebei), dat is natuurlijk niet de bedoeling. Nee, dan krijg je de vrijheid van meningsuitingspolitie op je af gestuurd. Of de mierenneukers: ‘Marokkanen zijn geen ras, dus wat zeur je nou, muts?’ Maar veruit het meest kreeg ik te horen dat Derksen juist dapper is omdat ‘hij tenminste durft te zeggen wat iedereen allang weet’. Toen onze minister van Sport dat afgelopen weekend nog eens dunnetjes over deed (‘Je kunt niet ontkennen dat incidenten bij bepaalde clubs veel vaker voorkomen dan bij andere’) was het feest compleet. ‘Zie je wel? Derksen heeft gelijk!’

Dat minister Asscher de uitspraken van Derksen racistisch noemde, of dat de KNVB de juistheid ervan in de meest stellige bewoordingen betwistte, dat leek er allemaal niet meer toe te doen. Derksen had ‘het beestje bij de naam genoemd’, en dat maakte hem tot een held – en iedereen die het er niet mee eens was de vijand.

Ik probeerde met al die berichten te doen wat ik altijd doe als de Boze Witte Mannenbrigade van zich laat horen (en dat is, helaas, vaker dan mij lief is): voor kennisgeving aannemen en niet teveel van aantrekken. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Afgelopen woensdag, vlak voordat ik als dagvoorzitter de officiele openingsceremonie van het nieuwe gebouw van het Internationale Strafhof zou gaan leiden, zag ik mijn telefoon knipperen in mijn tas. Uit nieuwsgierigheid keek ik toch nog gauw even wie mij een bericht had gestuurd. ‘Pfff.. Zoek een hobby ofzo!’ had een PVV-er getweet.

Daar zaten we dan, met Zijne Majesteit de koning, VN Secretaris Generaal Ban Ki-moon, de president van het strafhof, de aanklager en een zaal vol ministers en diplomaten uit de hele wereld. In ‘het Vredespaleis van de 21ste eeuw’, zoals het nieuwe strafhof al wordt genoemd. En ineens bekroop mij een gevoel van schaamte. Terwijl de ene na de andere spreker Nederland roemde voor onze inzet op het gebied van vrede en recht, dacht ik aan de hartverscheurende haatspraak die in dit zelfde land langzaam maar zeker steeds gewoner lijkt te worden.

Verdienen we zo’n strafhof eigenlijk wel, met peilingen die bangmakerij lijken te belonen met zetelwinst? Ziet u het voor zich, het internationale centrum van vrede en recht, waar de grootste partij roept om de-islamisering, grenzen dicht en andere xenofobe dooddoeners? Terecht vroeg Ton Zwaan zich gisteren in Trouw af wat de PVV daar dan precies onder verstaat, en hoe ze dat allemaal wil realiseren. En vooral: hoe zich dat verhoudt tot onze grondwet. Maar ik vrees dat dat de Boze Witte Mannenbrigade allemaal niets kan schelen. Die zijn te druk met het afhakken van hun volgende varkenskop of het bedenken van hun nieuwste twitteroffensief. Vrijheid van meningsuiting, weet u wel?
(eerder verschenen in Trouw 21 april 2016).

De straat op tegen baarmoederbemoeienis

De baarmoeder is terug van weggeweest. Alhoewel, weggeweest is ze natuurlijk nooit helemaal.
Altijd zijn er wel een paar politici, zelf meestal niet in het bezit van een baarmoeder, die er menen wat over te moeten zeggen. In Nederland wordt die rol glansrijk vervuld door de heren van de SGP, die bij tijd en wijle het abortusdebat nieuw leven, of moet ik zeggen: Nieuw Leven, inblazen. Vorige maand nog pleitte de oudste partij van ons land voor strengere regels en voor een verplichte registratie van de motivatie voor een abortus. Van der Staaij vond namelijk dat het ‘wel heel erg stil bleef’ in het Nederlandse abortusdebat.

Stil is het abortusdebat zeker niet in de rest van de wereld deze dagen. Sterker nog: de baarmoeder is breaking news. Zo maakte Donald Trump vorige week nogal wat los door te suggeren dat vrouwen die kiezen voor een abortus gestraft zouden moeten worden. Wat trouwens allang gebeurt in de VS: zo werd vorig jaar nog ene Purvi Patel in de staat Indiana veroordeeld tot 20 jaar cel voor ‘feticide’. Zij zelf houdt vol dat het om een miskraam ging. Trump’s republikeinse tegenkandidaat Ted Cruz houdt er overigens ook niet bepaald progressieve standpunten op na waar het de baarmoeder betreft: hij vertelde een interviewer van Fox News onlangs dat hij zelfs in het geval van een zwangerschap na verkrachting tegen abortus is.

Maar ook dichter bij huis stond de vrouwenbuik deze week weer even volop in de belangstelling. In Polen bijvoorbeeld, waar Jaroslaw Kaczynski, de leider van de conservatieve rergeringspartij Recht en Gerechtigheid, ervoor pleitte gehoor te geven aan de oproep van Poolse bisschoppen om abortus totaal te verbieden. Nu al is het voor vrouwen in Polen bijna onmogelijk op legale wijze een ongewenste zwangerschap te beeindigen, maar wordt in enkele gevallen een uitzondering gemaakt, zoals in het geval van verkrachting of als er zwaarwegende medische risico’s zijn. Zelfs aan die uitzonderingen moet nu volgens Poolse bisschoppen en hun politieke bondgenoten een einde worden gemaakt. Progressief Polen reageerde onmiddellijk met massale demonstraties.

Ook in Groot-Britannie gingen vrouwen en mannen de straat op om te protesteren tegen baarmoederbemoeienis. Daar werd maandag een inmiddels 21-jarige Noord-Ierse veroordeeld, die toen ze 19 was ongewenst zwanger raakte en niet genoeg geld had voor een ticket naar Engeland om zich daar – legaal – te laten helpen. Ze bestelde online een abortuspil en werd vervolgens door haar huisgenoten, die bebloede kleding hadden gevonden in de prullenbak, aangegeven bij de politie.

Baas in eigen buik of bescherming van het ongeboren leven, moeten we het daar nou nog steeds over hebben? Het gaat er allang niet meer om of je voor of tegen abortus bent. Het gaat om het principiële recht van vrouwen om te kiezen. Vrouwen dat recht ontzeggen is net zo erg als vrouwen het recht te ontzeggen om te stemmen, auto te rijden of haar eigen huwelijkspartner te kiezen. Dat er in onze eigen Europese Unie landen zijn die de rechten van vrouwen met voeten treden is al erg genoeg. Dat diezelfde Europese Unie daar vervolgens niets aan doet is een schande. Maar daar hoor ik niemand over. Heeft Van der Staaij toch een beetje gelijk: het ís stil in het Nederlandse abortusdebat. (eerder verschenen in Trouw 7 april 2016)

Jouw welzijn is mijn welzijn

Een paar weken geleden mocht ik een gesprek leiden in een buurthuis in Amsterdam-Oost. Het thema die avond was vervreemding. In de propvolle zaal zat een bont gezelschap: giechelende meiden met hoofddoek en stoere jongens met baseballpetjes, maar ook jongerenwerkers, politie-agenten, buurtbewoners en beleidsmakers.

De bijeenkomst was georganiseerd door jongeren die zich zorgen maakten om leeftijdsgenoten in de buurt. Waarom voelen sommigen van hen zich aangetrokken tot radicaal gedachtegoed, vroegen zij zich af. En vooral: wat kunnen wij voor hen betekenen?

We hoorden een jonge vrouw vertellen over hoe haar man – hoog opgeleid, goede baan, auto van de zaak, kleine op komst – langzaam van haar en hun omgeving vervreemdde en steeds dieper wegzonk in een netwerk van ronselaars en oorlogsretoriek. Zo ver zelfs dat ze op een dag thuiskwam in een leeg huis. Hij was vertrokken naar Syrie, zonder het haar te vertellen. Hij zou nooit meer terugkeren.

Een jonge man vertelde een even aangrijpend verhaal over hoe hij als student kwetsbaar was gebleken voor de aantrekkingskracht van radicale ideeen, die hem in een moeilijke tijd in zijn leven even houvast leken te bieden; makkelijke oplossingen, pasklare antwoorden op ingewikkelde vragen die hij thuis of op school niet vond.

Beide sprekers beschreven een proces van vervreemding, dat begon met een bodemloze eenzaamheid. Een gevoel alsof niemand hen begreep, ze er helemaal alleen voor stonden, iedereen tegen hen was. En elke keer weer, op school, op het werk, op straat, die vervelende vragen over IS, terrorisme, hun geloof.

Een oudere dame zei: ‘Maar het is voor ons ook moeilijk om over Islam te praten. Ik weet nooit wat ik tegen jullie moet zeggen, als ik vragen heb.’ Een gesluierde jonge vrouw reageerde: ‘Mevrouw, u zegt ‘wij’ en ‘jullie’. Daarmee maakt u al een onderscheid. Maar wij zijn ook Nederlanders. Wij vinden het even erg als u.’

Ik moet de laatste dagen veel aan dat gesprek denken. Over de verantwoordelijkheid die, net als na Parijs, nu ook door velen weer direct bij ‘de moslimgemeenschap’ wordt gelegd. Over de blijkbaar onstilbare behoefte om mensen in te delen in ‘wij’ en ‘jullie’, in ‘slachtoffers’ en ‘daders’, in goed en kwaad. En over onze honger naar gemakkelijke antwoorden op lastige vragen.

Eerder deze week stond in deze krant een zorgwekkend bericht over een onderzoek van het Verwey-Jonkerinstituut, waaruit bleek dat het voor jongens met een Marokkaanse naam en meisjes met een hoofddoek lastiger is om een stageplek te vinden. Na eerdere, even zorgwekkende rapporten het zoveelste bewijs dat er iets grondig mis is in Nederland.

Over verantwoordelijkheid gesproken: wat doen wij eigenlijk voor deze jongens en meisjes, die zich zo vaak eenzaam voelen in onze (en dus ook hun) samenleving? Hoeveel rapporten, schreeuwende krantenkoppen of afgehakte varkenskoppen zijn nodig voor we dit probleem eindelijk oplossen?

De christelijke cultuurfilosoof Feitse Boerwinkel schreef al in de jaren ’60 een vurig pleidooi voor inclusief denken. ‘Mijn welzijn kan niet verkregen worden ten koste van of zonder de ander, maar alleen als ik de ander de kans geef tot zijn recht en bestemming, tot zijn welzijn te komen.’ Precies dat denken heeft onze samenleving nu meer nodig dan ooit. (eerder verschenen in Trouw 24 maart 2016)

Wat wil een man nog meer?

Waarom vieren we wel internationale vrouwendag en geen internationale mannendag? Die vraag wordt mij elk jaar rond deze periode minstens vijf keer gesteld. ‘Omdat het elke dag al mannendag is’, antwoord ik dan meestal met mijn meest minzame glimlach. ‘Want ook anno 2016 verdienen mannen nog steeds gemiddeld 20% meer, zijn mannen beter vertegenwoordigd in topposities, en doen mannen over het algemeen een stuk minder in het huishouden. Wat wil een man nog meer?’

Toch klopt dat antwoord niet helemaal.

Want veel mannen willen best meer. Bijvoorbeeld al die mannen die eigenlijk minder zouden willen gaan werken om meer tijd met hun kinderen en/of het huishouden door te brengen, en dat zijn er aardig wat: maar liefst één op de vijf volgens een recent onderzoek van het SCP.

Bovendien bestaat er wel degelijk een internationale mannendag, op 19 november wel te verstaan. In onder meer Trinidad en Tobago, Malta en sinds kort ook Israël wordt die dag gevierd – al doen ze dat daar in mei. Er is zelfs een officiele site, internationalmensday.com, waar duidelijk wordt dat mannendag met name gaat over vaderschap. ‘Goede mannen zijn goede papa’s’ staat er te lezen. En ‘we vieren de positieve bijdrage van mannen wereldwijd’.

Nou wil ik niet lullig doen, maar dankzij die bijdrage van mannen wereldwijd zitten we toch behoorlijk in de nesten met ons allen. Oorlog, honger, vluchtelingen, verkrachtingen: de lijst wordt steeds langer. En ookal worden juist vrouwen door deze ellende vaak het hardst getroffen, en zijn experts het erover eens dat het loont om ze te betrekken bij de oplossing, toch was bij vredesonderhandelingen tussen 1992 en 2011 maar 8% van alle deelnemers vrouw. In minder dan 3% van de gevallen ondertekende een vrouw het vredesverdrag.

Maar ook dichter bij huis zijn het vaak juist mannen die de grenzen van het aanvaardbare opzoeken – en overschrijden. Met uitwassen als, ik noem maar wat, reuzegrote blote borsten op billboards tot gevolg.

Wat mij dan opvalt, is dat als daarover in ons land al een gesprek wordt gevoerd (wat sinds De Geus de emancipatie van de vrouw in 2003 voltooid verklaarde zelden buiten feministische kring gebeurt) het bijna altijd vrouwen zijn die die misstanden aankaarten. Die tot vervelens toe moeten uitleggen waarom het niet oké is om vrouwen te reduceren tot hun lichaam, en vervolgens doen alsof dat grappig is, of om vrouwen die daar niet om kunnen lachen te vragen of ze misschien ongesteld zijn.

Als u dat ook grappig vindt, leest u dan voor de grap maar eens de opmerkingen onder het Youtube-filmpje van de #geengrapje campagne van de Jonge Socialisten, waaraan ik een bescheiden bijdrage mocht leveren.

Waar zijn de mannen die hardop afstand durven nemen van hun grensoverschrijdende seksegenoten? Mannen die zeggen: ‘niet in mijn naam’, als er weer eens wordt geroepen dat vrouwen zich niet zo moeten aanstellen, dat een grapje moet kunnen? Mannen die hun broeders voor eens en voor altijd uitleggen dat seksisme nooit grappig is, ook niet als de halve wereld erom lacht? Met die mannen ga ik graag de straat op straks, op internationale mannendag. (eerder verschenen in Trouw 10 maart 2016)

Onschuldig tot het tegendeel is bewezen

Camiel Eurlings? Altijd positief, vrolijk, warm, had geen vijanden. Kortom: een gouden vent. Tenminste, als je sommige politiek commentatoren moet geloven.

‘Sneu voor hem, wat er nu gebeurt. Zo zielig, zo’n vrije val. Na alles wat hij al moest meemaken, bij de KLM. Ja, dit is wel het einde van de carriere van de gedoodverfde kroonprins van het CDA.’
‘Als het waar is, dat hij zijn ex-vriendin heeft mishandeld. Want dat moet natuurlijk nog bewezen worden.’
‘En waarom hoor je haar nou niet? Het schijnt een lastig mens te zijn.’
‘Je hoort de verhalen maar van één kant.’
‘Ach, hij kan nog altijd terugkomen in de politiek, hij is nog jong. Tijd heelt alle wonden.’

Met groeiende verbazing luister ik naar de gesprekken aan tafel bij Jinek. Zielig voor die man? Een politieke come-back? En wat nou als het wél waar blijkt te zijn, wat zijn ex-vriendin beweert. Dat hij haar inderdaad heeft mishandeld, met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg? Is het dan nog steeds zo’n positieve, warme man? Heelt tijd echt alle wonden?

Ik heb het vaker gehoord, als het gesprek ging over ‘huiselijk’ geweld. Dat eerst nog maar eens bewezen moet worden dat het waar is, wat die vrouw zegt. Dat je onschuldig bent, tot het tegendeel is bewezen. Dat het toch zo’n aardige vent was, altijd in voor een praatje, prettig om mee samen te werken. Dat het zo’n mooi stel was, samen. Dat het toch niet waar kan zijn, dat hij haar iets aandeed.

En dan vinden sommige mensen het nog steeds gek dat zo weinig slachtoffers van geweld achter de voordeur aangifte doen tegen hun partner (volgens cijfers van Blijfgroep wordt maar één op de drie gevallen gemeld bij de politie, en van die slachtoffers doet vervolgens minder dan de helft uiteindelijk aangifte). Ik vind dat niet zo gek. Sterker nog, ik snap dat heel goed. Ook ik was ooit, jaren geleden, zo’n slachtoffer dat een grote zonnebril opzette en nooit naar de politie ging.

Waarom niet, vraagt u zich af? Dat zal ik u uitleggen. Heel simpel: ik schaamde me dood. Dat een hoogopgeleide, stoere, onafhankelijke vrouw dit moest overkomen. Iemand met haar mond vol van vrouwenrechten en emancipatie. Ik zag mezelf al zitten, met mijn blauwe plekken bij de politie. En los daarvan: wie zou me geloven? Want ook mijn ex was in de ogen van velen ‘zo’n aardige vent’.

Toen ik me jaren later beroepsmatig in het thema geweld achter de voordeur verdiepte, sprak ik veel vrouwen die mij hetzelfde verhaal vertelden. Opvallend veel hoogopgeleide, stoere, onafhankelijke vrouwen die, net als ik indertijd, liever hun mond hielden dan om hulp vroegen. Ook zij twijfelden of iemand hun verhaal zou geloven, want ook zij waren ‘zo’n leuk stel’. Schaamte, angst, schuldgevoel zelfs.

De politie in Nederland is elke 6 minuten bezig met een melding ‘huiselijk geweld’. Als partnergeweld een virus was, dan was er allang een medicijn, zei een specialist van de politie ooit, naar aanleiding van die schrikbarende cijfers. Dat medicijn zal er wel nooit komen, vrees ik. Maar een beetje meer begrip voor slachtoffers is alvast een begin. Want ook zij zijn onschuldig tot het tegendeel is bewezen. (eerder verschenen in Trouw 25 februari 2016)

Nederland gastvrij? Laat me niet lachen.

‘Wij zijn hier natuurlijk heel gastvrij, in vergelijking met wat ze daar gewend zijn’, hoorde ik laatst iemand zeggen over Nederland en nieuwkomers. Ik verslikte me zowat. Nederland gastvrij? Laat me niet lachen.

Nog even los van Oranje, Woerden, Rosmalen en andere recente dieptepunten, is ook ons officiële migratiebeleid nou niet direct wat je noemt een warm bad. Dat mijn buitenlandse partner hier überhaupt wil wonen, mag gerust een wonder heten.

Bij zijn allereerste bezoek als toerist werd hij prompt door de Marechaussee uit de rij gevist. Pas nadat ik had verklaard hem te kennen, in staat te zijn hem te huisvesten en te onderhouden gedurende zijn verblijf, en er bovendien garant voor te staan dat hij na zijn bezoek ook weer terug zou gaan, mocht hij mee. Dat we diezelfde vragen al uitgebreid in de aanvraag van zijn toeristenvisum hadden moeten beantwoorden, dat deed niet ter zake. Regels zijn regels mevrouw. Welkom in Nederland!

Het echte werk begon pas toen mijn partner besloot zich bij mij te willen vestigen. Stap één is dan: inburgeren in het land van herkomst. Naar Nederland, het lespakket ter voorbereiding op het inburgeringsexamen, biedt behalve lesboeken ook een film. Terwijl mijn partner zich boog over de verleden tijd van ‘zijn’, besloot ik die eens te bekijken. Een aanrader, zo bleek al gauw.

Als je goed luistert, hoor je de gure oostenwind waaien, nog voor de film goed en wel begonnen is.
‘Het was wel erg koud!’
‘Je krijgt hier niet een hartelijk welkom.’
‘Mensen zijn afstandelijk.’
‘Ik denk dat je als nieuwkomer er rekening mee moet houden dat Nederlanders weinig geduld hebben.’
‘Je moet hier heel zelfstandig zijn en dat is niet voor iedereen te doen.’

En net als je denkt dat het niet erger kan: ‘als er nu een overstroming was, zou een groot deel van Nederland onder water verdwijnen.’

Weet u het zeker, dames en heren inburgeraars? Wilt u zich echt vestigen in dat akelige land?

Op een toon die de meeste Jeugdjournaalkijkertjes veel te kinderachtig zouden vinden, worden de nieuwkomers-in-spe gedurende een tenenkrommende twee uur getrakteerd op een opeenstapeling van open deuren.

‘De hoofdstad heet Amsterdam.’
‘Er is openbaar vervoer, er zijn bussen en treinen.’
‘Daarvoor moet je wel een kaartje kopen.’

Werkelijk? Je meent het.

Men maakt kennis met een nogal onhandige mijnheer, zogenaamd net gearriveerd in Nederland, die niet weet hoe een draaideur werkt. Nee, want draaideuren zijn natuurlijk ook typisch Nederlands. Die hebben ze daar niet, in de landen-van-herkomst.

Vervolgens legt een mevrouw uit dat de meeste mensen in het westen wonen. Ondertussen zie je beelden van een topless mevrouw die in slow motion uit de Noordzee komt lopen, recht op de kijker af. Ze kijkt daarbij onverschrokken de camera in, alsof ze zeggen wil: ‘ja, blote borsten zijn er ook in Nederland. En als je dat niet zint, dat kom je maar niet’.
En dan heb ik het nog niet eens over de bijbehorende oefenvragen. Of je in Nederland je vrouw mag slaan, bijvoorbeeld. Of discrimineren in Nederland is toegestaan. En, mijn favoriet: welke taal je leert in de Nederlandse taalles.

Mijn partner kon er wel om lachen. Hij haalde doodleuk een tien voor het onderdeel Kennis van de Nederlandse Samenleving.

Welkom in Nederland. (eerder verschenen in Trouw 14 januari 2016)

2016 wordt het jaar van het verschil

2015 gaat voor mij de boeken in als het jaar van de polarisatie. Het jaar van ‘verzet’, van vuurwerkbommen en vluchtelingenvrees, van pro-Piet-protesten en polderchauvinisme. Maar ook van recordaantallen vrijwilligers, Welkom Winkels en Dieuwertje Blok, die geen blad voor de mond nam. Of we het nu leuk vinden of niet, Maxima had gelijk: dé Nederlander bestaat niet. Dat werd gisteren nog maar weer eens bevestigd door het Sociaal Cultureel Planbureau, want de kloof tussen hogeropgeleiden en de rest groeit nog steeds, zo bleek uit een recent onderzoek.

Misschien moeten we om te beginnen eens kijken naar hoe we dingen noemen. Zo vraag ik me af waarom een academische opleiding per se ‘hoger’ zou zijn dan een opleiding tot lasser, monteur of kok. Je leert andere dingen, op een andere manier. De één meer uit de boeken, de ander meer door het te doen. Maar om nou te zeggen dat het één ‘hoger’ is? Dat impliceert dat we het één meer waarderen dan het ander; ‘hoofdmensen’ zijn meer waard dan ‘handenmensen’. Wat feitelijk natuurlijk ook zo is in onze huidige samenleving, gezien de oververtegenwoordiging van academici in de top van het bedrijfsleven, de media, cultuur en de politiek, en de ondervertegenwoordiging van beroepsopgeleiden.

En dat is precies het probleem. Want wie zegt dat hoofdmensen beter zijn in bedenken en besturen dan handenmensen? En waarom leggen we ons zo makkelijk neer bij die status quo? Zouden politieke partijen in een zogenaamd representatieve democratie niet iets harder hun best moeten doen om ook werkelijk representatief te zijn, net zoals ze bij een zogenaamd publieke omroep misschien iets harder hun best zouden moeten doen om aan te sluiten bij de volle breedte van dat publiek? In plaats van een elitaire wetenschapsquiz te maken voor beta’s, zoals verschillende briefschrijvers in deze krant terecht opmerkten.

Over elitair gesproken: toen ik nog columnist was bij het AD, kreeg ik geregeld opgetrokken wenkbrauwen van ‘intellectuelen’ die zich er (soms zelfs hardop) over verbaasden dat iemand als ik – een progressieve, feministische, maatschappelijk betrokken collega-intellectueel – een column schreef voor zo’n niet-intellectuele krant. Sinds ik begin dit jaar de overstap maakte naar Trouw, kreeg ik van diezelfde zelfbenoemde intellectuelen een omgekeerde reactie: ‘wat een mooie promotie, naar zo’n kwaliteitskrant als Trouw’. Jazeker, een heel mooie overstap. Maar waren mijn columns in het AD dan minder waard, want gericht op een ‘lageropgeleid’ publiek?
Die opgetrokken wenkbrauwen, die krijg ik nou nooit van AD-lezers die mij vragen waar mijn columns zijn gebleven.

Mijn wens voor 2016? Dat dit het jaar wordt van het verschil. Laten we het voor de verandering eens vieren, dat we allemaal anders zijn. Dat we links zijn en rechts, alles liever anders willen en dingen liever laten zoals ze zijn. Dat we hoofdmensen en handenmensen zijn. Dat we wel en niet geloven in God, Allah, Jahweh, Boeddha en niet weten of Hij (of Zij) bestaat. Dat we wit zijn en zwart, en alles daartussenin. En dat dat mooi is. Sterker nog, dat we er sterker door worden, door dat verschil. Dat dat de zuurstof is die ons land juist nu zo hard nodig heeft, nu de polarisatie elk debat dreigt te verstikken. Lang leve het verschil! (eerder verschenen in Trouw 31 december 2015)

Geachte mevrouw Van den Hul, beste Kirsten,

‘Graag zouden wij u via deze weg willen uitnodigen een bijdrage te leveren aan onze jubileumbijeenkomst op 23 januari aaanstaande, waarmee wij onze trouwe klanten willen bedanken voor de samenwerking. Wij dachten daarbij aan een lezing van ongeveer een uur, liefst met powerpointpresentatie, gevolgd door een interactief onderdeel met het publiek. Zoals u hopelijk zult begrijpen is ons budget beperkt, maar wij bieden u uiteraard een reiskostenvergoeding, naast een interessant platform én nieuw netwerk. Graag horen wij van u of u beschikbaar bent die dag, en of wij op uw inspirerende aanwezigheid kunnen rekenen!’

‘Bent u beschikbaar om voor donderdag een stukje te schrijven voor onze website? Er is helaas geen budget, maar onze site heeft wekelijks zo’n 3000 unieke bezoekers. Zou u uiterlijk morgenmiddag even willen bellen hierover?’

‘Wij zoeken nog een dagvoorzitter voor ons debat van volgende week. Ik hoorde via via dat ik jou daarvoor moest hebben. Kun jij donderdagmiddag tussen 13 en 17 uur? Geen vergoeding, wel een leuke middag!’

‘Zou u een keer in onze boekhandel kunnen komen voorlezen uit uw boek? Wij hebben helaas geen budget maar bieden u graag een bos bloemen en een lekkere fles wijn.’

‘Wij ontvangen graag een offerte voor maximaal €150,00 inclusief BTW en reiskosten. Wij ontvangen in aanvulling hierop graag nog een projectportfolio, waarin u laat zien welke vergelijkbare projecten u de afgelopen tien jaar heeft uitgevoerd, indien mogelijk voorzien van referenties en beeldmateriaal. Zou u ons dit voor maandag aanstaande kunnen doen toekomen?’

‘Wij ontvingen een VAR 2014 van u. Zou u ons de VAR voor 2015 kunnen sturen?’

Geachte opdrachtgevers,

Graag zou ik u, mede namens mijn collega-zelfstandigen, willen uitnodigen eens een kijkje te nemen op Twitter. Daar treft u onder #tegendebakker een even interessant als vermakelijk overzicht van wat wij ZPP-ers zoal binnenkrijgen, aan verzoeken. Verzoeken die, als ze aan de bakker, slager of loodgieter waren gericht, niemand serieus zou nemen.

Toch ontving ik alleen deze week al minstens drie mails waarin mij vriendelijk wordt verzocht om mijn diensten als spreker, publicist of dagvoorzitter gratis te leveren. Hoe graag ik soms ook zou willen dat dergelijke ruilhandel tot de mogelijkheden behoorde, moet ik u helaas toch teleurstellen. De bank die mij mijn hypotheek heeft verstrekt, doet namelijk nogal moeilijk als ik hen hetzelfde voorleg. Het electriciteitsbedrijf, de supermarkt en de kledingzaak ook trouwens.

En dat Prof. Dr. Huppelepup wel gratis aanschuift bij uw bijeenkomst, doet dus niet ter zake. Prof. Dr. Huppelepup is namelijk in loondienst, en zal bij u spreken uit hoofde van haar (goedbetaalde) functie.

Ja, inderdaad bestaat er ook zoiets als vrijwilligerswerk. Daaraan besteed ik, als u het per se weten wil, ruim een kwart van mijn tijd. In de mij resterende tijd probeer ik een eerlijke boterham te verdienen, net als u naar ik mag aannemen. En net als de bakker, slager of loodgieter, ben ik genoodzaakt mij voor mijn diensten te laten betalen.

Oja, nog even over die VAR 2015: die is er niet, in afwachting van de nieuwe belastingwetgeving. De VAR van 2014 doet tot die tijd dienst. Leuker konden ze het helaas niet maken. Wel een heel stuk makkelijker. En u ook trouwens. Dus doet u zichzelf en alle ZZP-ers een plezier en maak eens kennis met #tegendebakker. Helemaal gratis. (eerder verschenen in Trouw 17 december 2015)

Geraakt in het hart van onze beschaving

Terwijl de berichten over bomgordels in de banlieue en nóg meer vergeldingsbombardementen in Syrië elkaar in rap tempo opvolgen, krijg ik een uitnodiging voor een Europese conferentie over leiderschap in tijden van crisis. ‘Nu is de tijd voor nieuwe oplossingen. Want de wereld voor en de wereld na ‘Parijs’ zal nooit meer dezelfde zijn, zo luidt de begeleidende tekst.

Ik krijg er een beetje een ongemakkelijk gevoel bij, en weet niet meteen waarom. Want natuurlijk is het belangrijk om in Europees verband na te denken over leiderschap in tijden van crisis. En nieuwe oplossingen lijken me in deze dagen, terwijl de meeste regeringsleiders niet verder schijnen te komen dan stoere spierballentaal, inderdaad meer dan welkom. Dus wat zit mij nou toch dwars?

Bij nadere lezing blijkt het een klein zinnetje onderaan de uitnodiging te zijn dat mij onaangenaam treft. Een zinnetje dat ik al vaker tegenkwam in de nasleep van de aanslagen in Parijs. ‘We zijn geraakt in het hart van onze beschaving.’ Een schijnbaar onschuldig zinnetje, waarin veel verdrietigs verscholen ligt.

De eerste vraag die zich opdringt is: wie zijn ‘we’? En nog belangrijker: wie zijn ‘ze’ dan, als wij ‘we’ zijn? De conclusie ligt voor de hand: ‘onze beschaving’, die is dus duidelijk niet in Raqqa. Of in Damascus. Of in Garissa, Sint-Petersburg of Beiroet. Nee, die is in Parijs, waar ons hart blijkbaar ligt.

Eerlijk is eerlijk, mijn hart ligt er ook. Al vanaf de allereerste keer dat ik er was, alweer bijna dertig jaar geleden. De Mona Lisa, crêpes Nutella en de zoet-zure geur van de metrostations, als ik mijn ogen sluit ruik ik het nog.

Maar mijn hart ligt even goed in Tunis, in Moskou, in New York. Ook met hen voel ik mij ‘wij’, en velen met mij. Sterker nog, ik denk dat er tegenwoordig, behalve de puur praktische grenzen van tijd en plaats en paspoort, dankzij de culturele en digitale globalisering meer ‘wij’ in de wereld is dan ‘zij’. Maar als we telkens als het tegenzit de nadruk blijven leggen op een exclusief en vooral verheven ‘ons’, zou dat wel eens een averechts effect kunnen hebben, dat juist het ‘zij’, waar sommige extremisten hun ideologische gifpijlen zo graag op richten, zal versterken.

Want door dat onderscheid te blijven benadrukken maken we het aloude Eurocentrisme weer tot norm. Wij, hier in het centrum van de beschaafde wereld, tegen hen, daar in de barbarij. Hier, waar het uitmaakt wat er gebeurt, tegenover daar, ver van ons bed, waarover we onze schouders ophalen als exact hetzelfde kwaad er onder even onschuldige burgers schade aanricht. Wij, die een minuut stil zijn, onze profielfoto op Facebook aanpassen, onze stadhuizen blauw, wit en rood verlichten, de Marseillaise meezingen en een champagne-selfie tweeten uit solidariteit, tegenover hen, die als ze geen afstand nemen, mogen oprotten naar hun eigen land. Wij, die ons koloniaal verleden en de daaruit voortvloeiende privileges voor het gemak even vergeten, tegenover hen, die eindelijk eens los moeten komen van dat slachtofferdenken. Wij, die de internationale wapenhandel even hard steunen als zij, maar door de brievenbusfirma’s de bommen niet meer kunnen zien. Wij, die even hard huilen om onze slachtoffers als zij. Wij, kortom, die net zo zij zijn als zij wij. (eerder verschenen in Trouw 19-11-2015)

‘Daar moet een piemel in’

Zeg het. Maak van je hart vooral geen moordkuil. Laat ze maar komen, die woorden die blijkbaar al zo lang hun weg naar buiten zochten en maar niet konden vinden, verdwaald als ze waren tussen durven en doen. Doe ons allen een plezier en deel ze maar, die diepe angsten, die emotionele bagger, uit de dichtgeslibde sloten van je ziel. Kom maar, kots maar, kieper het er in één keer uit.

Zeg het dan, dat het delen van pijnlijke ervaringen met seksueel grensoverschrijdend gedrag niets oplost. Dat bewustwording niet helpt. Dat vrouwen wéér als slachtoffers worden gezien, en mannen als daders, en dat echt niemand daar op zit te wachten. Dat onschuldige kerels aan de schandpaal worden genageld en het daarmee de toch al verslechterde man-vrouwverhoudingen in ons land nog meer onder druk zet. Dat het pure aandachtstrekkerij is, je reinste aanstellerij van die nieuwe generatie feministen, die allemaal wanhopig zaten te smachten naar hun minute of fame. Dat ze er toch altijd zelf om vragen, dat ze het stiekem best lekker vinden, dat die zeikwijven eindelijk eens goed geneukt moeten worden. Dat er een piemel in moet. Nog een keer. ‘Daar moet in piemel in’. Goed zo. Grote vent! Je kunt het wel. Want nu is ‘ie er dan, de hashtag waar je al zo lang op zat te wachten. Eindelijk kun je helemaal los. Dus zeg het maar. Dat lucht vast op.

Weet u, ik was ooit ook zo’n zielig zeikwijf, dat in haar kruis gegrepen werd in een bomvolle metro. Dat ondanks haar geschreeuw van niemand hulp kreeg. En van de beveiliger op het metrostation te horen kreeg dat ze maar beter naar huis kon gaan, want ‘daar konden ze toch niks aan doen’. En vervolgens bij de politie moest wachten omdat er geen vrouwelijke agent aanwezig was, en teruggebeld zou worden voor een afspraak. Die vervolgens nooit is gemaakt.

Ik schreef er een column over, een dag later. Behalve verontrustend veel reacties van vrouwen en een aantal mannen die hetzelfde mee hadden gemaakt, kreeg ik ook berichten van mensen die zich afvroegen wat ik aanhad die avond, of die het jammer vonden dat het ‘maar’ bij een aanranding was gebleven.

Sommige mensen reageerden geschokt op die negatieve reacties, en vonden dat ik aangifte moest doen van bedreiging of smaad. Maar ik was stiekem wel blij met die nietsontziende eerlijkheid. Want eindelijk kwam boven tafel wat vaak wordt gedacht, maar niet wordt gezegd. Wat ik – en velen met mij – vaak voelen, maar zo moeilijk te bewijzen is: dat seksisme en vrouwenhaat wel degelijk bestaan, hier in Nederland. De rauwe rafelranden van ons emancipatieparadijs, die zo gemakkelijk aan het publieke zicht worden onttrokken door jarenlange succesvolle tolerantiemarketing. Want de emancipatie was hier toch allang voltooid? Nieuwkomers, die moeten het misschien nog leren, maar wij, wij waren de schaamte toch allang voorbij?

Nee dus. Blijkbaar niet. Blijkbaar zit er nog pus in die pukkel die eruit moet. Dus hierbij een oproep alle haters, seksisten en andere seksueel gefrustreerden van Nederland: zeg het. Gooi het er maar uit. Het maakt niet uit hoe of waar, maar zeg het. Zodat we zien dat het bestaat. (eerder verschenen in Trouw 5 november 2015).

Een betere wereld begint nog steeds bij onszelf

‘Wij, de volkeren van de Verenigde Naties, zijn vastbesloten komende geslachten te behoeden voor de gesel van de oorlog.’
Zaterdag is het precies zeventig jaar geleden dat in het Amerikaanse dorpje Lake Success de Verenigde Naties officieel in werking traden. Tot op heden ‘s werelds meest optimistische politieke experiment. Want zouden die naties zich zo vastbesloten hebben verenigd als ze niet stiekem hadden geloofd dat het mogelijk was, die wereldvrede, ookal deden en doen doemdenkers ons graag anders geloven?
Inmiddels lijkt er van dat optimisme weinig over. Nu wordt er vooral veel geklaagd over de VN. Dat het een gigantische praatmachine is, dat de bureaucratische stroop de boel onnodig vertraagt, dat de organisatiestructuur niet meer van deze tijd is, dat het uiteindelijk toch allemaal om het grote geld draait, of om de wapenindustrie, of om de G7. Dat de Veiligheidsraad met haar vetosysteem vleugellam is, dat de Milenniumdoelen niet zijn gehaald. Dat de interne machtsverhoudingen geen reflectie zijn van de nieuwe wereldorde, dat de VN er niet in zijn geslaagd de oorlog in Syrië te voorkomen. Of die in Soedan. Of Mali. Of voormalig Joegoslavië. Dat het bespottelijk is dat iemand uit Saoedi-Arabië de VN Mensenrechtenraad voorzit, en dat Ban Ki Moon het charisma heeft van een goudvis. Allemaal waar.
Maar het grootste probleem is niet het gebrek aan vertrouwen van anderen. Het is het gebrek van vertrouwen van de VN in zichzelf. Geloven ze er nog in, in hun macht om ons te behoeden voor de gesel van oorlog? Of hebben ze zich al lang neergelegd bij de status quo? Van het optimisme van die vastbesloten volkeren van toen lijkt 70 jaar later in elk geval bar weinig over.
De pr doet ons graag anders geloven. Als je niet beter weet, lijken de VN tegenwoordig wel een internationaal poppodium, waar sterren en staatshoofden even gemakkelijk hun humanitaire ei kwijt kunnen. Vrijwilligers te over. Angelina Jolie, Emma Watson, Leonardo di Caprio, Stevie Wonder, allemaal komen ze maar al te graag langs voor de goede zaak. Een speech, een mooie foto met mijnheer Ban, en hup, weer een persbericht eruit. Maar met die ‘Malalisering’ van de VN, hoe goed bedoeld ook, bewijzen ze zichzelf geen dienst. Want op weer een speech met weer een selfie met weer een ster zit de wereld nu niet te wachten.
Ver van de schijnwerpers en rode lopers worstelen diezelfde VN met grote tekorten. Veel donoren laten het afweten, als het erop aankomt de portemonnee te trekken. Onlangs nog waarschuwden onderzoekers van het Global Policy Forum voor de groeiende kloof tussen de wereldproblemen en de capaciteit van de VN om die problemen het hoofd te bieden. In hetzelfde onderzoek wordt bovendien gewaarschuwd voor een toenemende afhankelijkheid van financiering door grote multinationals, die daarmee steeds meer invloed krijgen.
In plaats van zichzelf in de uitverkoop te zetten, zouden de VN weer in zichzelf moeten gaan geloven. In de haalbaarheid van dat radicale idee van ooit: dat het kán, een betere wereld. De wereld heeft dat optimisme nu meer nodig dan ooit. Maar dat alles begint bij onszelf. De VN is namelijk precies zo sterk als de lidstaten haar willen maken. Wíj, de volkeren van de Verenigde Naties. (eerder verschenen in Trouw 22 oktober 2015)

Feminisme 4.0 denkt niet in hokjes

Jezelf kenbaar maken als feminist gaat je niet in de koude kleren zitten, weet ik uit ervaring. De reacties op een dergelijke coming out variëren van lullig (‘scheer je wel je oksels?’) tot ronduit griezelig (‘feminazi’s zoals jij moeten hun bek houden’). Maar als feminist heb je vooral veel uit te leggen. Of ‘dat hele vrouwengebeuren’ anno nu nou nog wel nodig is bijvoorbeeld. Wat ik vind van de discussie over quota voor vrouwen aan de top. Of ik soms denk dat vrouwen beter zijn. En wat dat alles te betekenen heeft voor mannen. En dan heb ik het nog niet eens over de reacties vanuit feministische hoek zelf. Want net als bij elke levensbeschouwelijke overtuiging heb je ook binnen het feminisme rekkelijken en preciezen. Die elkaar, net zoals de Remonstranten en Contraremonstranten van weleer, graag de maat nemen over hoe het nou eigenlijk hoort.

Zo werd mij ooit publiekelijk de les gelezen door een dame op leeftijd, die mij hardop hypocrisie verweet. Want mijn nagels lakken en lippen stiften, en mijzelf tegelijkertijd feminist noemen? Dat ging natuurlijk niet samen. Hadden zij en haar zusters daar nou al die jaren strijd voor geleverd? Hoe haalde ik het in mijn hoofd!

Dezelfde hypocrisie wordt vandaag de dag zelfbenoemde feministen als Miley Cyrus en Beyoncé ten laste gelegd. Tijdens een optreden in een weinig verhullende outfit, sexy staan dansen voor het woord FEMINIST in levensgrote neonletters, zoals laatstgenoemde deed? Volgens de preciezen is dat vloeken in de kerk.

Terwijl het volgens mij precies is wat het feminisme jarenlang ontbeerde: een gepopulariseerde versie, een Vertaling in Gewone Taal, die het – helaas nog immer relevante gedachtengoed – weer toegankelijk maakt voor een veel breder publiek.

En dat publiek staat te springen om een nieuw feministisch geluid, zo bleek deze week maar weer eens in de Amsterdamse Balie. Ik mocht er de Amerikaanse feministe Naomi Wolf, boegbeeld van de zogenaamde derde feministische golf, interviewen tijdens een avond over Feminisme 4.0, die in een mum van tijd helemaal was uitverkocht. Op internet was zelfs een zwarte markt voor kaartjes ontstaan. Een uitpuilende zaal vol enthousiaste jonge meiden (en een aantal dappere jongens) bewees het maar weer eens: het feminisme is springlevend.

Ontroerend was het, de rij die na afloop ontstond om namen en emailadressen te verzamelen, om de energie van de avond vast te houden en om te zetten in actie. Inspirend ook, om te zien hoe een nieuwe generatie jonge vrouwen zich het feminisme eigen maakt, met volop ruimte voor verschil. Interessante vragen werden er gesteld, die avond. Of transgenders ook mee mogen praten, als het gaat over het vrouwelijk lichaam. Hoe we de mannen meekrijgen. En of er wel genoeg ruimte is voor andere verhalen dan die van witte, westerse vrouwen.

Als er één ding is dat de nieuwe feministen gemeen hebben, dan is het de afkeer van hokjes. Ze pleiten voor intersectionaliteit, kruispuntdenken dus: nadenken over verschillende vormen van uitsluiting tegelijkertijd. En gelijk hebben ze, die feministen 4.0. Want het gaat allang niet meer om wie gelijk krijgt, het gaat erom dat we nog lang niet gelijk zijn. (eerder verschenen in Trouw 8 oktober 2015)

Offerfeest zonder schaap

Er was eens een jongen op een slachtblok. Hoe hij daar was beland? God had gezegd dat zijn vader hem moest doden, en de jongen vond dat zijn vader naar God moest luisteren. Want had God niet altijd gelijk? ‘Doe maar hoor pap’, zei de jongen flink, ookal was het eng. ‘Ik vind het echt niet erg.’

Ik vond het als kind maar een akelig verhaal. Ik snapte niet dat Isaac, want zo heette de jongen in mijn kinderbijbel, het niet op een rennen zette. En al helemaal niet dat Abraham’s liefde voor God blijkbaar groter was dan die voor zijn eigen zoon. Vertrouwen noemden ze dat? Verraad, dat vond ik het. En waarom sprong zijn moeder eigenlijk niet voor hem in de bres?

Toen ik wat ouder werd, en ik behalve de Grote-Mensen-Bijbel ook de Koran had gelezen, vroeg ik mij af of islamitische kinderen net zo griezelden bij het verhaal van Ismael en Ibrahim, zoals ze daar heten, als ik vroeger had gedaan. Groot was dan ook mijn verbazing toen ik leerde dat het verhaal dat ik altijd zo eng vond, juist de basis vormde voor de belangrijkste feestdag in de islamitische kalender: het Grote Feest, Eid al-Adha, ofwel het Offerfeest.

Niet bepaald een feestdag voor een overtuigde vegetariër als ik. Maar leg dat maar eens uit aan de buurvrouw die met al haar goede bedoelingen een bloederige plastic zak in je handen duwt. ‘Eid mabrouk, een gezegend feest buurvrouw!’ Want dat schaap, zo leerde ik, wordt tradioneel in drie stukken verdeeld: één deel voor de familie, één deel voor de buren, en één deel voor de armen. Bofte ik even.

Zo zullen veel van de vluchtelingen die ons land de laatste weken hebben bereikt, het jarenlang ook hebben gedaan. Stuk schaap voor zichzelf, voor de buren, voor de mensen die het minder hadden dan zij. Bidden in de moskee. Kinderen in het nieuw, kadootjes, wat extra zakgeld zelfs misschien. Maar ik vrees dat er bij de meesten van hen dit jaar geen ruimte is voor een schaap, speelgoed of nieuwe kleren voor de kinderen. Want die mensen die het minder hebben, dat zijn zij inmiddels zelf.

Wat zullen zij zich ontheemd voelen vandaag, tijdens het Offerfeest, Eid al-Adha, zonder schaap, zonder familie soms, zonder moskee of de buren van toen. Als je bijna alles hebt verloren, hoe vier je dan nog je vertrouwen in God?

Zouden ze het meekrijgen op hun smartphone, de beschamende bekrompenheid die het debat over hun toekomst al dagen, weken, maanden domineert? De onderhandelingen in Brussel die hen in razend tempo hebben gereduceerd tot cijfers, tot vóór of tegen, tot ja of nee? Het gesteggel over quota, het geroep om ‘grenzen dicht’? De tegenstemmers, de haatzaaiers, de tsunamipredikers? Ik hoop het niet. God, wat hoop ik van niet. Ik hoop dat ze horen hoeveel vrijwilligers zich melden bij het Rode Kruis, dat het aantal Welkom Winkels gestaag groeit, en hoeveel kinderen hen al helpen op school. Ja, ik hoop werkelijk dat ze zich welkom wanen, zeker vandaag. Dat ‘ze’ even ‘we’ wordt en dat dit hen op dit koude Offerfeest de harten verwarmt. (eerder verschenen in Trouw 24 september 2015)

Zonder vrijheid is veiligheid niets meer dan een illusie

Deze week waren mijn partner en ik op weg naar huis na een Griekse vakantie. Ik mocht op het vliegveld rustig doorlopen en werd in het voorbijgaan zelfs nog vriendelijk toegeknikt door de douanier, maar mijn partner werd prompt tegengehouden. ‘Passport please!’ klonk het streng. Mijn partner heeft behalve een Egyptisch paspoort een Nederlandse verblijfsvergunning, en mag daarmee dus net als ik vrij reizen in het Schengengebied, zo moest uiteindelijk ook de douanebeambte erkennen, maar blijkbaar was zijn uiterlijk verdacht genoeg om hem uit de rij te pikken.
Ik was – en dan druk ik me nog voorzichtig uit – niet bepaald te spreken over het optreden van de Griekse douanier, maar mijn partner zelf kon er wel begrip voor opbrengen. ‘Met zoveel vluchtelingen moeten ze nu wel strenger controleren’ zei hij gelaten.
Toen ik na thuiskomst dit verhaal aan een collega vertelde, kreeg ik nogmaals te horen dat het toch niet zo gek was dat men dezer dagen extra voorzichtig is. ‘Voor hetzelfde geld heeft hij een kalashnikov in zijn koffer. Kijk maar naar wat er in de Thalys is gebeurd!’
Een dikke duizend kilometer verderop wordt in het Hongarije van Viktor Orbán precies diezelfde angst gepredikt. Islamitische migranten zijn niet welkom in Hongarije, want onschristelijk en dus misschien wel terrorist, crimineel, of besmettelijk ziek. Dus pas op wie je binnen laat, luidt daar de boodschap. Met griezelige uitwassen als aparte, extra ontsmette treinwagons voor migranten en muren van prikkeldraad als gevolg.
Ondertussen wordt ook dichter bij huis steeds harderop getwijfeld aan de houdbaarheid van het verdrag van Schengen. Begrijpelijk misschien, in deze turbulente tijden. Maar al te vaak worden daarbij migratie en terrorisme in één adem genoemd, terwijl dat toch echt twee zeer verschillende zaken zijn, die beide een verschillende aanpak vragen. En te makkelijk wordt daarbij voorbijgegaan aan het fundament dat het verdrag van Schengen vormt voor de rechtsstatelijkheid van ons verenigd Europa.
Sterker nog, die rechtsstatelijkheid lijkt steeds vaker op de laatste plaats te komen. Zo pleitte Europarlementariër Ciotti deze week voor een Europees detentiekamp voor jihadisten, een Frans ‘Guantanamo’, waar Syriëgangers en andere geradicaliseerde personen (al dan niet preventief) zouden moeten worden opgesloten. Alsof de wereld met dat andere Guantanamo daar in de Cariben zo vreselijk veel is opgeschoten, behalve dat het nog meer olie op het vuur van de vijand heeft gegooid.
En dan de Belgische premier Michel, die naar aanleiding van de verijdelde aanslag op de Thalys oproept tot nauwere samenwerking tussen België, Frankrijk, Duitsland en Nederland in de strijd tegen terrorisme, en meer controles wil in internationale treinen. Michel gaat zelfs zo ver om te zeggen dat zonder veiligheid vrij verkeer geen zin heeft.
Ik vrees dat velen dat tegenwoordig met hem eens zullen zijn. Een gevaarlijke ontwikkeling, wat mij betreft. Want geven we daarmee terroristen niet precies waar ze op uit zijn: de destabilisering van onze Europese rechtsstaat, door ons te laten leiden door angst?
Geloven dat er geen veiligheid kan bestaan zonder vrijheid, wordt wel eens naȉef genoemd.
Ik denk dat het omgekeerde geloven minstens zo naȉef is. Zonder vrijheid is veiligheid immers niets meer dan een illusie. (eerder verschenen in Trouw 27 augustus 2015)

Donald Trump geeft vrouwen een doekje voor het bloeden

Eerlijk is eerlijk: ik was even van mijn à propos toen ik het meisje hoorde roepen. En ik was niet de enige. Zowat de hele winkelstraat draaide zich om toen de jongedame in kwestie voor iedereen hoorbaar haar vriendinnen liet weten dat ze zojuist ‘echt ongelofelijk ongesteld’ was geworden. Zonder blikken of blozen.
‘Zo, die durft!’ dacht ik bij mezelf. In het voorbijgaan hoorde ik dat andere shoppers een stuk minder te spreken waren over haar openhartigheid. ‘Gatver!’ zei een puisterige puber, met een gezicht alsof hij net een hap had genomen van een broodje met verse maden. ‘Geen enkel fatsoen!’ mompelde een oudere dame, hoofdschuddend.
Waarom toch? Waarom vinden we menstruerende vrouwen sinds mensenheugenis toch zo ontzettend eng, vies en vreselijk? Zo vreselijk zelfs, dat ze in sommige landen zelfs niet mogen koken, bidden, of slapen naast een niet-menstruerend persoon. Of niet naar school gaan, omdat ze niet naar het toilet kunnen, of omdat er simpelweg geen maandverband of tampons voorhanden zijn.
Om daar aandacht voor te vragen liep de 26-jarige Kiran Gandhi, drummer van beroep, feminist van overtuiging, dit jaar de Londense marathon terwijl ze ongesteld was, en, nu komt het: dat alles zonder gebruik te maken van stelpende middelen. Ze besloot het bloed vrij te laten stromen, en in plaats van zich daarvoor te schamen of er geheimzinnig over te doen, publiceerde Gandhi foto’s, blogs en interviews over haar ervaring, die ze overigens zelf als ‘enorm bevrijdend’ omscheef. Het leidde tot een berg reacties. De strekking van de meeste daarvan laat zich raden: hoe durft ze? Bloedende vrouwen zijn immers eng, vies en vreselijk.
Wederom gebiedt de eerlijkheid mij te zeggen dat ook ik even een ongemakkelijk gevoel kreeg van de foto’s van een juichende Kiran die met een duidelijk zichtbaar bebloede broek de finish over rent.
Ook ik ben blijkbaar door jarenlange blootstelling aan ons nog steeds door mannen gedomineerde medialandschap gebrainwashed om menstruatie iets te vinden waar je vooral niet mee te koop moet lopen. Daar praat je niet over, laat staan dat je het laat zien.
Ernaar verwijzen, dat mag dan weer wel, tenminste volgens presidentskandidaat Donald Trump. Hij meldde deze week tijdens een interview met CNN dat er bij tv-journaliste Megyn Kelly, die hem naar eigen zeggen iets te hard aan de tand had gevoeld tijdens een verkiezingsdebat, ‘bloed uit haar ogen en haar wat-dan-ook’ stroomde.
Dat ging internetondernemer Amber Gordon, die op dat moment met menstruatiekramp in bed tv lag te kijken, toch net een stapje te ver. Ze lanceerde direct een website en een hashtag, #periodsarenotaninsult, waar vrouwen Trump inmiddels overspoelen met live mentruatie-updates. ‘Hey Donald, ik heb vandaag een leven gered, terwijl er bloed uit mijn wat-dan-ook stroomde’, tweet een arts-assistent. Een andere vrouw laat weten dat ze ‘momenteel bloedt, maar nog steeds in staat is voor anderen en voor zichzelf te zorgen’, terwijl weer anderen Trump om advies vragen: moeten ze nou maandverband mét of zonder vleugels kopen?
En zo heeft mijnheer Trump, zonder het te weten, ons toch een dienst bewezen. Hij heeft er eigenhandig voor gezorgd dat vrouwen eindelijk over hun menstratie durven te praten. Een doekje voor het bloeden wellicht, maar toch. (eerder verschenen in Trouw 13 augustus 2015)

In crisistijd vallen de hardste klappen vaak achter de voordeur

Acteurs zonder salaris, gepensioneerden zonder pensioen, chronisch zieken zonder zorg, kinderen die zonder eten naar bed worden gestuurd: een crisis zoals die in Griekenland kent vele soorten slachtoffers. ‘Collatoral damage’ zouden de Amerikanen dat noemen. ‘Part of the deal’, volgens onze regeringsleiders en de Eurogroep. En dan heb ik het niet eens over de duizenden vluchtelingen die nog steeds elke maand de oversteek naar Griekenland wagen, zonder enig zicht op opvang. Allemaal even hartverscheurend. Maar ze zijn tenministe in beeld. Ze hebben een gezicht.

Over één groep slachtoffers hoor en lees ik nagenoeg niets de laatste dagen: de onzichtbare slachtoffers van ‘huiselijk’ geweld. Dat is natuurlijk lang niet zo’n sexy verhaal als de rijen wachtenden voor de pinautomaten, de daklozen of de wanhoop van Griekse ondernemers, dat snap ik ook wel. Maar toch minstens zo nieuwswaardig.

Want in tijden van crisis vallen vaak juist daar de hardste klappen: achter de voordeur. Dat was zo na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, we zagen het na de afschaffing van de Apartheid in Zuid-Afrika, maar ook in 1999, tijdens de crisis in Argentinië, en in 2008, tijdens de crisis op Wall Street: overal waar de wereld op zijn grondvesten schudt, trekken vrouwen aan het kortste eind. Griekenland is daarop geen uitzondering. Naar maar waar: sociaal-economische onrust zorgt voor een aanzienlijke groei in het aantal gevallen van partnergeweld, zo blijkt keer op keer. Een overgrote meerderheid van de slachtoffers van die geweldsepidemie is vrouw.

Vaak heb ik me afgevraagd hoe dat nou werkt, in het hoofd van zo’n vent. Je verliest je baan, je spaargeld gaat in rook op, je toekomst is onzeker, alles glipt je door de vingers. Dat je op zo’n moment je vuisten balt, dat snap ik. Dat je kwaad bent, razend zelfs, om zoveel onrecht en ellende. Plak een foto van Schäuble op een boksbal zou ik zeggen, ren een blokje om, koel af. Maar dat je die gebalde vuist vervolgens laat landen op je vrouw of vriendin, dat begrijp ik dus niet. Alsof zij er wat aan kan doen.

Het overkwam mij zelf ooit, lang geleden. Gelukkig had ik een baan, en mijn familie en vrienden ook. Ik had een vangnet, ik kon weg. Maar wat nou als je niet zo’n vangnet hebt? Waar ga je heen? Naar een opvanghuis? Laat dat nou net één van de sectoren zijn waar vaak keihard op bezuinigd wordt, als het slecht gaat met de economie. Naar familie dan? Ze zien je aankomen. Nog een mond om te voeden. Om over het maatschappelijke taboe, de schaamte en het schuldgevoel nog maar te zwijgen.

Zo’n geweldsepidemie is weliswaar onzichtbaar, maar daarmee natuurlijk niet minder erg. Naar schatting één op de drie Griekse vrouwen maakt het mee, en dat aantal zal naar verwachting de komende tijd alleen maar groeien. Een groot deel van hen heeft kinderen, waarmee het aantal indirecte slachtoffers van deze maatschappelijke tragedie nog eens vele malen groter is.

Heeft u daar tijdens uw urenlange sessies in Brussel ook maar één seconde bij stilgestaan, beste dames en heren onderhandelaars? Of was ook dat ‘part of the deal’?

(eerder verschenen in Trouw 16 juli 2015)

De hoogste tijd om kleur te bekennen

Weet u waar ik mij nou druk om maak deze week? Dat een boel Nederlanders zich drukker lijken te maken over ingeslagen ruiten tijdens rellen in de Schilderswijk, dan over de dood van een festivalganger na een hardhandige arrestie door de Haagse politie. En als ze zich er al druk over maakten, over ‘de Arubaan’, zoals slachtoffer Mitch Henriquez in veel media meteen werd genoemd, dan toch wel het meest over de link die uiteraard al snel werd gelegd tussen buitensporig politiegeweld en racisme. Want zodra de eerste verontwaardigde berichten verschenen waarin werd opgeroepen tot nader onderzoek, gerechtigheid en protest, klonk aan het andere einde van het spectrum een zo mogelijk nog grotere verontwaardiging. Want ‘niet alles is direct discriminatie’ en ‘we moesten toch eerst maar eens de feiten afwachten’. En als je dat niet beviel, u voelt hem al aankomen, ‘dan moest je maar gauw oprotten naar je eigen land.’

Nee, niet alles is discriminatie. En onderzoek doen naar de feiten is altijd goed. Maar dat neemt niet weg dat alle alarmbellen toch zouden moeten gaan rinkelen zodra getuigenverklaringen, filmbeelden én eerder onderzoek van journalisten en mensenrechtenorganisaties op zijn minst twijfel opwerpen over de neutraliteit van de Haagse politie – en dan druk ik me nog heel voorzichtig uit.

Wat denkt u dat er was gebeurd als niet Mitch Henriquez, maar ik daar had gelopen in dat park? Denkt u dat ik door zes agenten tegen de grond was gewerkt en half bewusteloos in een busje was gesleurd?

Nee.

Word ik aangehouden, als er ‘steekproefsgewijs’ preventief wordt gefouilleerd op straat?

Nee.

Word ik in de gaten gehouden, als ik met mijn vrienden en vriendinnen in het park hang?

Nee.

Het is voor sommigen blijkbaar nog steeds moeilijk voor te stellen, maar discriminatie bestaat in Nederland. En hoe.

Stap één van de oplossing zou zijn om dat met elkaar eindelijk eens eerlijk te erkennen.

Net zoals het tijd wordt om eens uitgebreid stil te staan bij hoe het eigenlijk komt dat we hier in Nederland Surinaamse, Arubaanse en andere Antilliaanse landgenoten hebben, om maar wat te noemen. En, als we dan toch bezig zijn, om ons af te vragen hoe die tot slaaf gemaakten eigenlijk überhaupt op Surinaamse of Antilliaanse bodem tercht kwamen.

Gisteren vierde een deel van Nederland Keti Koti, de dag waarop, nog maar 152 jaar geleden, in Suriname en op de Nederlandse Antillen de slavernij werd afgeschaft. Een ander deel van Nederland haalde daar zelfgenoegzaam zijn schouders over op. Niet zo gek ook misschien, als we er in onze geschiedenislessen, in de media en vanuit onze bestuurders zo weinig over horen.

De reacties op de dood van Mitch Henriquez laten zien dat het de hoogste tijd is om kleur te bekennen. Dat betekent: werk maken van het herschrijven van onze geschiedenis. Erkennen dat er onder de vlag van de VOC en WIC wandaden zijn gepleegd. Beschrijven hoe miljoenen tot slaaf gemaakten hebben geleefd en geleden. En dat dan niet meteen ‘koloniale geschiedenis’ noemen. Nee, het gaat om ONZE geschiedenis. Want pas als we dat snappen, kunnen we werken aan onze toekomst.

(eerder verschenen in Trouw 2 juli 2015)

Ramadan voor beginners

Vandaag begint voor zo’n anderhalf miljard moslims wereldwijd de Ramadan, de heilige vastenmaand, waarin van dageraad tot zonsondergang niet gegeten, niet gedronken, niet gerookt, niet gevreeën, niet gevloekt, niet gelogen en niet geroddeld wordt. Tenminste, dat is de bedoeling. Of het al die anderhalf miljard moslims ook daadwerkelijk lukt, is een tweede. Want een maand lang geestelijke en lichamelijke geheelonthouding is makkelijker gezegd dan gedaan, merkte ook ik toen ik voor het eerst meedeed. Ik woonde en werkte in Tunesië, waar zo’n beetje het hele land een tandje terug leek te schakelen. Het was een hete nazomer, en al na een halve dag vasten begon het mij te duizelen. Dat niet eten, dat ging nog wel. Maar wat had ik zin in een slokje water. En wat was het moeilijk om mij te concentreren op mijn werk, laat staan mijn rust te bewaren in het verkeer, waar iedereen natuurlijk net zo zat te duizelen als ik. Gelukkig waren er lieve buren, kennissen en collega’s, die mij uitnodigden om samen het vasten te verbreken met melk, dadels en een kom dampende linzensoep. Ik proef het nóg.
Hoe anders was het in Nederland, waar ik elke dag minstens tien keer moest uitleggen wat die Ramadan nou precies inhield. En waarom ik, als niet-moslim, dan toch meedeed. En of dat niet heel slecht was, voor je gezondheid. En of ik dan ook geen pepermuntje mocht, tegen die slechte adem. En of ik toch echt niet beter een glaasje water kon drinken. En hoe je nou wist wanneer je weer mocht eten. En of het niet moeilijk was, zo in mijn eentje. En of je niet doodging van de honger, na 30 dagen vasten.
Nee, dood ben ik er nooit aan gegaan, gelukkig. Na de eerste paar dagen genadeloos afzien (symptomen: duizelingen, hoofdpijn, vermoeidheid) kom je in een speciaal soort ritme, waarin er gek genoeg meer ruimte is voor rust en reflectie, dan voor die rammelende maag. En ja, een slechte adem hoort er helaas bij, als je je spijsvertering even stil legt. Een pepermuntje is dan weer niet de bedoeling, een glaasje water evenmin. Ook niet één slokje? Nee, ook niet één slokje. Ook niet als niemand het ziet? Nee, ook niet als niemand het ziet.
Waarom ik dan toch meedeed? Omdat ik het in deze tijden van toenemende tegenstellingen tussen hen die wel en hen die niet meedoen in ‘s werelds consumptiewedloop, wel een verfrissende ervaring vond om eens een maandje bewust afstand te nemen van mijn begeertes en behoeftes. Om mij 30 dagen lang te leren beheersen, als mijn hart of lijf mij iets ingaf. Om weer eens de nadruk te leggen op ‘zijn’, in plaats van almaar moeten ‘hebben’, ‘zeggen’ of ‘doen’. En dat alles in het ritme van de zon en de maan. Zeg nou zelf: wanneer komt een mens daar nou nog aan toe?

Vrijheid, dat is wat ik die anderhalf miljard moslims in de wereld van harte toewens deze Ramadan.Vrijheid om te zijn, te geloven, te bidden, te vasten, of om er juist voor te kiezen dat niet te doen. رمضان كريم, Ramadan karim, een gezegende vastenmaand. (eerder verschenen in Trouw 18 juni 2015)

For the game. For the world.

Er waren geen mensenmassa’s op de been, geen plein was volgelopen. Er vielen geen schoten, geen gewonden, geen dodelijke slachtoffers. En toch waande ik mij woensdag ineens weer in die overgetelijke winter van 2010 op 2011, toen de halve wereld aan de buis gekluisterd was en meekeek hoe de onaantastbaren van hun troon gestoten werden. Ben Ali, Moebarak… Blatter. Het voelt deze week weer even net als toen. Een gevoel van moed, van hoop, van vertrouwen, van ‘het kan dus tóch!’. De old boys zijn blijkbaar niet zo onaantastbaar als wij (en vooral zijzelf) jarenlang dachten. Want dat Blatter tot het einde toe heilig heeft geloofd dat hij de dans kon ontspringen, daar twijfel ik niet aan. ‘De storm is geluwd’ verklaarde hij vorige week nog optimistisch na zijn herverkiezing. ‘Ik maak me geen zorgen om mijn eigen persoon.’

Nee, hij had niks te vrezen. Maar die hele FBI-zaak, daar ‘zat een luchtje aan’, aldus de man wiens eigen naam nu ook schijnt op te duiken in het onderzoek. Waarom de Amerikanen juist vlak voor het FIFA-congres die invallen moesten plannen, durfde hij zich vorige week nog hardop af te vragen. De Amerikanen, verliezers van de strijd om het WK in 2022 én belangrijke sponsors van Jordanië, het land van Blatters tegenkandidaat Prins Ali ben Hoessein. Dat kon geen toeval zijn.

En dan durfden sommigen, waaronder ‘goede vriend’ Platini, hem ook nog te verzoeken om op te stappen. De brutaliteit! Hadden ze dan niet begrepen dat hij al sinds 1998 voorzitter was? ‘Ik vergeef iedereen, maar ik vergeet niet’, bromde een boze Koning Blatter.

En ja, hij leek er steeds weer mee weg te komen. Kon roepen dat vrouwen maar in strakkere broekjes moesten gaan spelen uit ‘esthetische overwegingen’, dat homo’s in Qatar maar geen sex moesten hebben tijdens het WK om arrestestatie te voorkomen, dat slachtoffers van racisme op het veld moesten bedenken dat ‘het maar een spelletje was’, en de dader de hand moesten schudden. Kon veertig jaar rondlopen bij een organisatie waar, volgens de Amerikaanse minister van justitie ‘corruptie al decennia wijdverspreid is’, en toch door 133 van de 209 landen herkozen worden voor een vijfde termijn. “Let’s go FIFA!’ riep hij vorige week vrijdag met gebalde vuisten.

Hubris, zo noemen ze dat in Griekse tragedies, waarmee Blatter voetbal graag vergeleek.

Het winnaarseffect, zo noemen ze dat in de biologie: alfamannetjes die vaak gevechten winnen, worden op den duur overmoedig en vertonen risicovol gedrag. Kunnen ze ook niks aan doen, die mannetjes, komt allemaal door de testosteron. Voormalige Wall Street-handelaar en neurobioloog John Coates schreef er een fascinerend boek over. Moet mijnheer Blatter misschien ook maar eens lezen, nu hij het straks rustiger aan gaat doen.

Dat aftreden was natuurlijk onvermijdelijk, gezien de groeiende druk van sponsoren, bonden en justitie. Het is te hopen dat de nieuw te kiezen voorzitter de ballen heeft om schoon schip te maken daar bij die FIFA. De ramen open, de bezem erdoor. De old boys eruit, nieuwe mensen erin. Mensen die weer snappen waarom ze daar zitten: zodat voetballers kunnen voetballen, en wij fans daarvan kunnen genieten. For the game. For the world. Niets meer en niets minder. (eerder verschenen in Trouw 4 juni 2015)

Het constitutionele recht op huwelijksgeluk

Als ik lesbisch zou zijn en Iers, dan zou ik dag en nacht campagne voeren, deze dagen. Morgen stemt Ierland in een referendum over een historische grondwetswijziging, die het huwelijk openstelt voor homoseksuele stellen. Het homohuwelijk, zoals sommigen dat noemen. Wat eigenlijk nogal een rare term is, die doet vermoeden dat het zou gaan om een bijzonder en exotisch soort huwelijk. En dat is nou precies waar het allemaal om draait morgen: dat homo’s en lesbo’s juist niet langer als bijzonder of exotisch worden gezien, maar eindelijk dezelfde rechten krijgen als heteroseksuele geliefden. Inclusief het recht om te trouwen.

Of ik als lesbische Ierse vervolgens ook daadwerkelijk zou trouwen, als de voorstanders van de grondwetswijziging zouden winnen, dat waag ik te betwijfelen. Maar het recht om je liefde te bezegelen met een ‘ja ik wil’, net als ieder ander, daarvoor zou zelfs een hardcore huwelijksscepticus als ik met regenboogvlag en al de barricades opgaan.

In Ierland gaan sommige activisten nog veel verder. Tv-journaliste Ursula Halligan bijvoorbeeld, die afgelopen vrijdag op 54-jarige leeftijd in een hartverscheurende column in de Irish Times eindelijk haar coming out beleefde, waarin ze schreef dat ze ‘wilde dat ze eerder uit haar gevangenis was gebroken’ en lezers oproept anderen daarbij te helpen door ja te stemmen in het referendum. Of voormalig minister Pat Carey, 67 jaar oud, die eerder dit jaar op televisie vertelde dat zijn publieke coming out bedoeld was om de yes-campagne een steuntje in de rug te geven en te hopen nu eindelijk met zijn partner in het huwelijksbootje te kunnen stappen.

Je hele leven lang doen alsof je iemand anders bent, kunt u het zich voorstellen? Een toneelstukje spelen, terwijl je hart je iets heel anders ingeeft? Het was jarenlang de enige optie in een land waar homoseksualiteit tot 1993 nog strafbaar was.

Dus reken maar dat het spannend wordt, morgen. In 1995 stemden de Ieren ook over een heet hangijzer: een grondwetswijziging die echtscheiding mogelijk maakte. Het voorstel haalde het op het nippertje, met 51% van de stemmen.

Net als toen is ook nu de kerk één van de meest vocale tegenstanders, met als pièce de résistance een bisschoppelijke brief die afgelopen zondag tijdens de mis in heel Ierland werd voorgelezen. Maar ook op Twitter laten de no-people van zich horen. Ik kom verrassend veel argumenten tegen die ik eerder hoorde van homofoben uit Oeganda, Rusland en de VS. ‘Het huwelijk is een heilige verbintenis tussen een man en een vrouw.’ ‘Kinderen hebben recht op een moeder én een vader.’ ‘Het is tegennatuurlijk, het menselijk ras zou uitsterven.’ ‘Dit soort zieke ideeën komt allemaal van buiten. Een uitwas van de globalisering, die een halt moet worden toegeroepen.’

Die mensen hebben duidelijk niet begrepen waar het constitutioneel referendum van morgen over gaat. Dat gaat namelijk niet over homoseksualiteit, geloof of het gezin. Het gaat ook niet over het veranderen van het huwelijk. Dat blijft wat het is en altijd al is geweest: een verbintenis voor het leven, tussen twee mensen die elkaar uit liefde eeuwige trouw beloven. Waar het om gaat morgen is de vraag wie elkaar uit liefde eeuwige trouw mogen beloven. Het constitutionele recht op huwelijksgeluk dus. Wie kan daar nou tegen zijn? (eerder verschenen in Trouw 21 mei 2015)

Een beetje vent strijkt zijn eigen overhemd

Zondag is het weer zo ver: miljoenen moeders worden door hun dankbare kroost in het zonnetje gezet. Zelfgeknutselde fotolijstjes, tekeningen, ontbijt op bed, misschien zelfs een lekker luchtje voor de bofkonten. ‘Wat een verwennerij!’ roepen die miljoenen moeders dan met een gelukzalige glimlach op hun gezicht. En miljoenen vaders glunderen van trots.
Als die moeders mazzel hebben, dan doen die vaders zondagavond na het eten ook nog de afwas. Maar dan houdt het heel gauw weer op. Want op maandag moeten de bedden weer verschoond, de broodtrommels gevuld, de boodschappen gedaan, de luiers verwisseld, de badkamervloer geschrobd. En dat, zo bleek onlangs maar weer eens uit onderzoek van het Verwey Jonker Instituut, is in Nederland anno 2015 nog steeds vrouwenwerk. Zij besteden met gemiddeld twintig uur per week meer dan twee keer zoveel tijd aan huishoudelijk werk en (mantel)zorgtaken dan mannen, die zich er met een lullige negen uur per week vanaf maken.
‘Mijn man past vandaag op de kinderen’, hoorde ik laatst een vrouw trots verkondigen aan haar vriendinnen. ‘Hij heeft sinds kort eens in de maand papadag.’ Ik moest op mijn tong bijten om me niet in het gesprek te mengen. Eens in de maand? Papadag? Dat woord alleen al. Een soort aflaat, alsof je je als vader de rest van de tijd afzijdig houdt. Toch kon de trotse mama in kwestie rekenen op de bewondering van haar vriendinnen. ‘Wat goed van hem!’ riep één van hen. ‘Wat heb je het toch getroffen!’ verzuchtte de ander.
Het goede nieuws is: een groot deel van de Nederlandse papa’s zou best meer willen zorgen. Het slechte nieuws is: ze doen het (nog) niet. Uit een recente peiling van vrouwenplatform Women Inc. bleek dat 20% van de mannen best een betere balans wil in de verdeling van zorg en werk, maar dat ze het lastig vinden om dit met hun werkgever te bespreken. Een minder-dan-mager betaald vaderschapsverlof van twee dagen helpt natuurlijk ook niet mee. Maar uit diezelfde peiling bleek nog iets interessants: maar liefst 63% van de vrouwen vindt zichzelf meer geschikt om zorgtaken op zich te nemen.
Kijk, en daar zit ‘m volgens mij een groot deel van het probleem. Want vrouwen mogen dan wel zeggen dat ze het heerlijk vinden als hun man iets vaker zijn handen uit de mouwen steekt, als puntje bij paaltje komt vinden veel dames het best lastig om die bedden, broodtrommels, boodschappen, luiers en badkamervloer toe te vertrouwen aan die onhandige kerels. Ja, natuurlijk ben je er beter in, als je wekelijks 11 uur meer oefening krijgt dan hij. Dat is meer dan een volledige werkweek per maand, wat op jaarbasis al gauw neerkomt op een dikke 570 uur. Dus vind je het gek dat hij minder handig is dan jij?
Tot nu toe richtten de meeste campagnes zich op de te emanciperen man. U weet wel, ‘Wie is toch die man die op zondag altijd het vlees komt snijden?’ of, iets langer geleden, ‘Een beetje vent strijkt zijn eigen overhemd’. Misschien wordt het zo langzamerhand tijd daar nog een zin aan toe te voegen: ‘… en een beetje vrouw laat hem.’ Niet alleen op Moederdag. (eerder verschenen in Trouw 7 mei 2015)

Vive l’Europe!

Tien jaar geleden was ik er ook zo één, zo’n zogenaamde gelukszoeker zonder papieren, die de oversteek waagde op zoek naar een beter leven, nieuwe kansen, vers geluk. Mijn Tunesische studiegenoten maakten er grapjes over. ‘Kirsten is de enige sans-papiers op het Afrikaanse continent!’
Maar illegaal? Dat heeft niemand mij ooit genoemd. Bed, bad of brood? Dat kon ik zelf betalen, ook nadat mijn toeristenvisum tot mijn schrik ineens verlopen bleek. Politiecontroles? Ik mocht doorlopen met mijn blonde koppie, want ‘vast toerist’. Die Middellandse Zee? Die stak ik comfortabel over per vliegtuig. ‘Wilt u nog iets drinken mevrouw?’ Met in mijn handtas dat fijne wijnrode paspoort waarmee ik mij bijna overal ter wereld welkom wist. Want mijn wieg stond aan de goede kant van het water.
Hoe anders was de ervaring van de jonge mannen die ik tegenkwam in de café’s van de medina. Jongens als Maher, Mohamed en Sabri, die mij met glimmende ogen vertelden over hun Europese dromen, daar aan de overkant, chez vous là bas. Hotels zouden ze openen, een broodjeszaak, een sportwinkel. Ze zouden diploma’s halen, een vrouw vinden, kinderen krijgen die het dankzij datzelfde wijnrode paspoort zoveel beter zouden doen dan zij. En dan, als ze het helemaal hadden gemaakt daar aan de overkant, dan zouden ze terugkomen, een huisje kopen, en rustig genieten van de rozerode ondergaande zon.
Sommigen hadden het al wel vijf keer geprobeerd, met rubberen bootjes naar Lampedusa of per vliegtuig via Turkije, en dan verder over land. Elke keer waren ze gestrand, uit zee gevist en weer teruggestuurd, terug naar Start. Niet dat dat ze tegenhield. Nog geen maand na de laatste poging zaten ze daar, aan hun vaste tafeltje, hun geld te tellen, plannen te maken voor de volgende trip. ‘Wij willen gewoon een beter leven’, zei één van mijn vrienden toen ik hem vroeg of het het allemaal wel waard was. ‘Net als jij.’
Bed, bad, brood? Het zou ze vast niks kunnen schelen. Meer of minder reddingscapaciteit op zee? Ook dat hield ze niet tegen. Nee, deze jongens hadden er alles voor over om de overkant te bereiken. Want niet de opvang of de kans om door de Italianen uit zee gevist te worden zorgden voor die inmiddels hier zo beruchte aanzuigende werking. Nee, ons continent zelf was het dat deze jongens ertoe bewoog telkens weer hun leven te wagen. Onze vrijheid, onze voorspoed, onze vrede, en veiligheid. Maar ook onze onze mode, onze muziek, onze eetcultuur. Europa had in hun ogen bijna mythische proporties aangenomen.
En neem ze het eens kwalijk. Krijgen deze jongens, en miljoenen Afrikanen met hen, niet vanaf jongs af aan die Europese droom door de strot geduwd, ruim een halve eeuw nadat de kolonisator van weleer met volle zakken is vertrokken? Hun schoolboeken, volledig in het Frans, verhalen over Napoleon, over Gelijkheid, Vrijheid, Broederschap, over Verlichting en Renaissance. De televisie, vaak ook Franstalig, brengt de overkant dagelijks dichterbij. Vive l’ Europe!
Ik wou dat ze erbij konden zijn vandaag, Maher, Sabri en Mohamed, op die Europese top in Brussel, en hun verhaal konden doen. Om al die dames en heren met hun wijnrode paspoort er aan te helpen herinneren wiens wieg aan de goede kant van het water stond. (eerder verschenen in Trouw 23 april 2015)

Boerkini’s en badpakken

Dit jaar voor mij geen familiebrunch of eieren zoeken; ik vierde de Paasvakantie onder de Jordaanse zon, niet eens zo ver van waar het oorspronkelijke Paasverhaal zich ooit had afgespeeld. Drie dagen rust, dat was het plan. ‘Helemaal alleen?’ vroeg een Zweedse vrouw mij de eerste dag in het zwembad. ‘Dat je dat durft, als blondine, in je eentje in een Arabisch land. Die kerels hier zijn vervelend hoor!’
Natuurlijk durfde ik dat, niks engs aan. Ik had immers in mijn eentje in hartje Tunis gewoond, net zo blond als nu. Trok er alleen op uit in de Sahara. Stond tijdens de Egyptische revolutie in dikke traangaswolken op het Tahrirplein. Dus een paar dagen baden in luxe aan de Golf van Aqaba? Wie deed me wat?
Al gauw merkte ik dat de Zweedse niks teveel had gezegd. Nog geen kwartier na mijn eerste duik in het zwembad verschenen de eerste gluurders: een groepje in witte gewaden gehulde mannen met baarden, aan hun accent en klederdracht te oordelen afkomstig uit één van de nabij gelegen Golfstaten. Alsof ik niets in de gaten had schuifelden ze rakelings langs mijn ligbed, handen op de rug, pomtiedomtiedom, terwijl ze hun gulzige blik schaamteloos over mijn lichaam lieten gaan.
Het contrast tussen mijn bikini en de boerkini’s van mijn buren was wellicht voor sommige hotelgasten wat te groot. Dan maar in een beschaafd badpak, de volgende dag. Maar zelfs toen kon ik nauwelijks voorkomen dat twee puistige pubers een selfie maakten met mij op de achtergrond. ‘Zijn jullie helemaal gek geworden?’ bulderde ik in mijn beste Arabisch. Ze lieten hun telefoon bijna uit hun handen vallen van de schrik. ‘Ze spreekt Arabisch man!’ hoorde ik één van de jongens zeggen terwijl ze zich met rood hoofd uit de voeten maakten. Alsof dát er iets toe deed.
Op dag drie wist ik weer waarom ik ooit weg was gegaan uit Tunesië: mijn eeuwige haat-liefde verhouding met de Arabische wereld. De taal, de poëzie, de muziek, de architectuur: allemaal even prachtig. Maar dat ik als ongehuwde, ongesluierde, ongelovige vrouw volgens sommigen niet meer ben dan mijn lichaam, dat blijft voor mij als feminist lastig te verkroppen. ‘s Lands wijs, ‘s lands eer, uiteraard. Maar er zijn grenzen. Moest ik mijzelf in een chique strandhotel bedekken om die tere mannenzieltjes te sparen, terwijl zij zelf in nietsverhullende zwembroeken rond liepen? Niks ervan. In dat toneelstuk speelde ik niet meer mee.
Ik zag twee vrouwen enkele meters achter hun man aansjouwen, zij van top tot teen gehuld in zware zwarte stof, hij met blote bast. En maar gluren, vanachter die dure zonnebril.
‘Ach, kijk haar nou toch. Ligt ze daar alweer helemaal alleen, het schaapje tussen de wolven. Je zou bijna medelijden met haar krijgen.’ ‘Tja, ze vraagt er natuurlijk wel om, in zo’n ordinair badpak. Schaamteloos! Alsof ze een stuk vlees is. Heeft zeker aandacht nodig.’ ‘Nou, het werkt. Moet je die mannen zien!’ Het duurde even voor ik doorhad dat de twee gesluierde dames het over mij hadden. Bijna op hetzelfde moment hadden zij door dat ik hun had verstaan. En toen moesten we alle drie heel hard lachen. (eerder verschenen in Trouw 9 april 2015)

Wat zou u doen, mijnheer Rutte?

‘Marokane eruit’, stond in grove hanenpoten geschreven op de deur van het toilet in de trein, op een hoogte die kinderlijk kwajongenswerk uitsloot.

Ik kwam net van een bijeenkomst over radicalisering in het onderwijs. Docenten en bestuurders spraken er hun angst uit voor radicaliserende jongeren, voor jihadronselaars, voor verheerlijking van geweld. Er werd geproken over protocollen, toolkits en trainingsmateriaal, over samenwerken met gemeente en politie, en over hoe om te gaan met Arabisch sprekende jongeren in de klas.

Ik sta zelf voor de klas, op de Haagse Hogeschool. Ik spreek ook wel eens Arabisch in de klas, net zoals ik af en toe een woordje Frans, Spaans of Russisch wissel met mijn leerlingen uit die landen. Maar een jihadronselaar, jihadreiziger of jihadverheerlijker? Die heb ik gelukkig nog nooit ontmoet.

Begrijp me niet verkeerd: ik wil hun bestaan niet bagatelliseren, noch ontkennen. Er sterven Nederlandse jongeren in naam van het kalifaat, er wapperen ook in Nederland soms hele foute vlaggen. De angst van docenten is natuurlijk wel degelijk ergens op gebaseerd, en verdient het om zeer serieus genomen te worden.

Maar ik kom ze in mijn werk niet tegen, de jongeren die hun leven willen geven voor Abu Bakr Al Baghdadi. Wie ik wel tegenkom, zijn jongeren die zich afvragen of ze hier nog wel thuis horen. Jongeren die, ook al zijn ze hier geboren, overwegen te ‘remigreren’ naar een land dat niet het hunne is, omdat ze daar tenministe niet als habibabi’s worden weggezet. ‘Ik heb in Turkije gewoon veel meer kansen’, hoorde ik een jonge hoogopgeleide vrouw laatst zeggen.

En het erge is: ze heeft waarschijnlijk nog gelijk ook. Want wat hebben wij onze jeugd in dit land te bieden? De vrijheid om het met de heersende meerderheid eens te zijn? Een premier, die zich doodleuk laat ontvallen dat uitreizigers maar beter kunnen sterven in Syrië of Irak, dan terugkeren naar Nederland. Een (voormalige) minister van Justitie, die zegt het daar roerend mee eens te zijn, net als 69 procent van de Nederlandse kiezers. Diezelfde premier Rutte doet vervolgens nog een duit in het zakje, door te roepen dat hij discriminatie niet kan oplossen, en dat je je als nieuwkomer maar moet aanpassen en invechten.

Aanpassen en invechten, mijnheer Rutte? Dat wordt nogal lastig, als deuren pertinent voor je gesloten blijven. Of als daar in grove hanenpoten op geschreven staat, wat velen in dit land blijkbaar voelen en je tegenwoordig kennelijk straffeloos mag roepen. ‘Eruit!’ ‘Rot maar op naar je eigen land!’

Dat eigen land, dat is dus hier. Want hier stond hun wieg, hier leerden ze lopen, fietsen en voetballen, hier gingen ze naar school. Mijnheer Rutte, denkt u wel eens na over wat het betekent, als je eigen land je zo slecht behandelt? Als je als niet-westerse allochtone jongere, ook al zo’n akelig afstandelijk begrip, meer dan drie keer zoveel kans hebt om werkloos te zijn dan je autochtone leeftijdsgenoten, en zelfs het CPB zegt dat discriminatie daarbij een belangrijke rol speelt. Als het woord ‘radicalisering’ blijkbaar synoniem is geworden met ‘jihadisme’, terwijl radicaal-rechts rustig mag roeptoeteren wat het wil. Wat zou u doen, mijnheer Rutte? (eerder verschenen in Trouw 26 maart 2015)

Zonder wrijving geen glans 

‘Columns schrijven is tegenwoordig geen sinecure in ons maatschappelijk soms oververhitte landje’, schreef Cees van der Laan afgelopen zaterdag in de brief van de hoofdredactie. Helaas moet ik hem gelijk geven. In de vier jaar dat ik mijn schrijfsels deel met de wijdere wereld, heb ik nogal wat over me heen gekregen. Ik zou er een boek mee kunnen vullen. Variërend van ‘Ach moppie, ga toch lekker terug naar het aanrecht’ tot regelrechte bedreigingen, maar ook opmerkingen over mijn kapsel, kleding of burgerlijke staat. Meestal komen die mededelingen tot mij via het digitale dorpsplein, een enkele keer gebruiken de klagers nog pen en papier om hun hart te luchten. En soms, heel soms, loop ik een boze lezer in het dageljks leven tegen het lijf.
Ik moest er enorm aan wennen, in het begin. Natuurlijk wist ik dat niet iedereen het met me eens zou zijn. Sterker nog, ik hoopte zelfs op een lekker pittige inhoudelijke discussie. Zonder wrijving geen glans, nietwaar? Maar dat mijn mening mensen zodanig in het verkeerde keelgat zou schieten dat ze mij wat aan wilden doen, of dat althans suggereerden, dat had ik niet voorzien. Evenmin had ik kunnen vermoeden dat een kort blond koppie aanleiding zou geven tot speculaties over mijn seksuele geaardheid, een strak jurkje mij op uitnodigingen voor een wel heel persoonlijke kennismaking zou komen te staan, of het dragen van parels mij voorgoed zou diskwalificeren als progressieve feminist. Ja dames en heren, het is me wat, in onze Hollandse hokjesmaatschappij. Schreef ik een column over polarisatie tussen Joden en moslims, dan was ik een Zionist of juist een moslimhoer, noemde ik Jeroen Pauw plagerig een feminist dan kreeg ik (een deel van) de vrouwenbeweging over mij heen.
Gelukkig is het niet alleen maar kommer en kwel. Er zijn ook brievenschrijvers die, net als ik overigens, de wereld liever van de zonnige kant bekijken. Die mij bedanken voor een nieuw inzicht of mij wijzen op dwarsverbanden die ik zelf nog niet had gezien. Het is dat soort reacties waar een columnist van opleeft.
Het begon meteen al goed bij Trouw. De dag dat het introductie-interview met collega-columnist Naema Tahir en mijzelf in de krant stond, kreeg ik prompt de eerste lezerspost al binnen, inclusief felicitaties en een mooi advies over wat me te doen staat. ‘Niet het ageren tegen het nee, maar het creeëren van een ja’, citeerde de lezer schrijfster Nazmiye Oral.
Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan natuurlijk, in een wereld vol onmacht en onrecht. Van stuntelende ministers tot de monsters van IS, het ‘nee’ komt je deze dagen zowat op elke pagina tegemoet.
Reden te meer om het ‘ja’ te omarmen, als je het mij vraagt. Om te blijven geloven in een alternatief, in eerlijkheid, in beschaving, kortom: in de toekomst. Door sommigen wordt dat soort optimisme tegenwoordig afgedaan als soft of naïef. Ik noem het liever positief realisme.
Dat zult u ongetwijfeld niet altijd kunnen waarderen. En zo hoort het ook. ‘Columnisten mogen behagen, sussen, schuren of irriteren’, om onze hoofdredacteur nog maar eens te citeren. Wat ik ga doen, in mijn columns? Alle vier, hoop ik. Met heel veel liefde (eerder verschenen in Trouw 12 maart 2014).

Advertisements

6 Responses to “Her columns”

  1. Bart Flos July 19, 2011 at 4:16 pm #

    Dat is anti-klagen all the way! Hulde!

    Als auteur van het Anti-klaagboek (“Eerste hulp bij zeuren en zaniken”) en ‘eigenaar’ van de hashtags:

    #antiklagen
    #antiklaagboek
    #antiklaaglied
    #antiklaagweek
    #antiklaagseminar
    #STEUNdeNS

    kan ik dit alleen maar volmondig beamen. Zegt het voort! Er wordt al genoeg geklaagd in ons land! 😀

    Met hartelijke anti-klaag-groeten,
    Bart Flos

  2. Lydia August 16, 2011 at 8:15 am #

    Jammer dat de SlutWalk in Amsterdam van afgelopen juni niet genoemd wordt. Verder kan ik me er alleen maar bij aansluiten.

    • kirstenvandenhul August 16, 2011 at 9:55 am #

      Thnx Lydia! SlutWalk Amsterdam had inderdaad niet mogen ontbreken in het lijstje..

  3. WE CAN Nederland August 16, 2011 at 1:56 pm #

    Mooie column weer!

    met een knipoog naar ‘asks for it’
    http://www.youtube.com/watch?v=AewZdSvJPPA, een britse campagne

    Groet Charlot

  4. Ashit Dixit July 29, 2012 at 11:45 am #

    This is truly epic 😀 Thankyou for putting this out there

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this: